Viva-Cura

Houden van reptielen

Deel I: Algemene kennismaking

Ik ben geïnteresseerd geraakt in reptielen en wat nu?

Het eerste wat je moet weten is wat is een reptiel. Of beter gezegd, wat is het niet?

  • Een reptiel is geen gezelschapsdier of knuffeldier. Het zal niet met je gaan spelen, als je een stok werpt zal hij het niet gaan halen en terugbrengen. Het heeft geen kambeurten nodig en zal hier dus ook niet van genieten. Het komt niet naar jou toe als het aandacht zoekt en zal dan ook niet met zijn staart in je gezicht hangen voor op te vallen. Het geeft geen pootjes of blaft op commando, ook zitten en liggen doet het niet. Het houdt er niet van vastgenomen te worden en al zeker niet knuffelen.
  • Een reptiel is niet gedomesticeerd. Het is een dier dat niet aangepast is aan een leven bij mensen. Het is wild en vertrouwt geheel op zijn instinct. Het geeft geen enkele meerwaarde aan het gezin zoals een hond of kat.
  • Een reptiel eet geen kant en klare maaltijden. Een reptiel voer je geen brokken of korrels, ook geen paté of vogelzaad.

Al dit in het achterhoofd houdende, ben je nog steeds geïnteresseerd? Dan kan je best doorlezen.

Wat is dan wel een reptiel?

Zonder in detail te treden over de biologische eigenschappen is een reptiel een kijkdier. Dit wil zeggen dat reptielen als huisdier enkel dienen om naar te kijken en observeren (principe vis zonder water). Daarom ook dat reptielen voor maar weinig mensen geschikt zijn. Velen willen een dier om er gezelschap van te krijgen en in zekere mate een soort liefde. Dit is niet mogelijk bij reptielen, mensen die beweren dat dit wel kan, hebben jammerlijk genoeg geen besef van wat een reptiel is. Je kunt wel een gevoel van affectie krijgen, echter zit dit geheel in je eigen hoofd.

Is een reptiel in huis doenbaar?

Bij het houden van reptielen, zorg ervoor dat iedereen binnen het gezin of woonst op de hoogte is en voldoende is geïnformeerd. Er kunnen namelijk allerlei zaken foutlopen.

  • - Je komt thuis met een bakje met een slang erin en vrouwlief weet van niets. Je laat heel stoer en fier de slang zien en de vrouw des huizes laat duidelijk merken dat ze hiermee niet akkoord is. Het dier moet onmiddellijk weg. Je gaat terug naar de winkel, maar daar kunnen ze jammer genoeg het dier niet terugnemen. Wat nu gedaan, want met de slang mag ik niet binnen in huis?
  • - De zoon zeurt al enkele dagen aan je hoofd dat hij zo een leuke hagedis wil zoals die in de winkel om de hoek. Je kan zijn gezeur niet aan en geeft toe, je koopt voor hem een hele set voor zijn dier en daarmee is het maar opgelost. Echter na een tweetal maand is zoonlief helemaal niet meer geïnteresseerd in het dier en hij wil in plaats een brommer. De hagedis is op dat moment aan zijn lot overgelaten of moet verzorgd worden door de ouders.
  • - Je komt thuis met een kleine hagedis waarvan ze in de winkel garandeerde dat het niet groter zou worden. Echter na enkele maanden is het dier al haast verdubbeld in lengte. Dan toch maar even opzoeken wat ik gekocht heb. Je komt tot de vaststelling dat dit dier toch nogal groot wordt en er helemaal geen plaats voor is dit te huisvesten.

Zo zijn er talloze gebeurtenissen waarin het kan foutlopen. Bij goede communicatie en informatie kom je deze taferelen niet tegen. Uiteraard wil dit niet zeggen dat elk kind ongeschikt is voor reptielen te zorgen of dat elke man onverantwoord met slangen naar huis komt. Maar zeker voor kinderen moet er op gelet worden dat ze hun verantwoordelijk opnemen en ook houden. Dit is aan elke ouder zelf om te beslissen of zijn of haar zoon/dochter hiervoor geschikt is. Een tip: Als ze na enige tijd vanzelf stoppen met zeuren en al snel iets anders willen, dan zijn ze meestal niet echt geschikt om voor reptielen te zorgen.

Reptielen in huis kan echter ook voordelen hebben. Bijvoorbeeld je kind is allergisch voor katten, honden of andere harige zoogdieren, dan kunnen reptielen wel eens een prima alternatief zijn voor een dierenliefhebber. Maar dan nog blijft het enkel bij kijken. Een reptiel dient zeker niet om stoer te doen of om over op te scheppen bij vrienden. Met wat kennis kom je al snel te weten dat er niets stoer of gevaarlijk is aan een reptiel (op bepaalde uitzonderingen na die onder strikte voorwaarden mogen gehouden worden), althans niet gevaarlijker dan bijvoorbeeld een hond of kat.

Reptielen kunnen erg oud worden. Sommigen worden maar enkele jaren oud, anderen worden zo oud dat ze in hun leven meer dan één eigenaar hebben. Vooral bepaalde landschildpaddensoorten kunnen erg oud worden. Houdt hier dan ook rekening mee bij een aankoop dat je het dier zijn gehele levensduur een goede thuis kunt bieden.

Zorg dus dat iedereen binnen het gezin akkoord is, je er ruimte voor hebt en het kan financieren. Reptielen en hun onderhoud kosten geld, meestal meer dan gedacht wordt. Met voedsel, onderhoud en elektriciteit heb je per maand al snel een aardig hoog bedrag.

Ik ga een reptiel kopen, wat moet ik doen?

Eens je besloten hebt dat reptielen iets voor jou is, is het belangrijk zoveel mogelijk informatie te vergaren. Dit kan op allerhande voor de hand liggende manieren. Boeken, internet, vrienden en kennissen met ervaring in reptielen, etc. Hoelang en hoeveel informatie je vergaard ligt geheel aan jezelf. Echter raad ik aan om minstens 4 à 5 maand intensief te gaan zoeken. Niet alleen omdat je in die tijd veel kan leren, ook om jezelf een bedenktijd te geven waarin je moet beslissen of je wel heel zeker bent dat je reptielen wil en kan houden.

Ik ben 100% zeker.

Ben je helemaal zeker dat je de goede keuze hebt gemaakt, dan is de tijd gekomen om te gaan kiezen welk reptiel jou het beste ligt. Wordt het een slang? Of een hagedis? Misschien toch liever een schildpad? Maar waarom geen krokodil? Hoewel het niet of het ene of het andere hoeft te zijn, zie je bij veel hobbyisten dat ze zich gaan specialiseren in een bepaald reptiel. Sommige mensen zijn helemaal dol van hagedissen en vinden slangen maar niks en visa versa. Alsook andere combinaties of zelfs mensen die alles in huis halen zijn mogelijk. Het is niet eenvoudig om een bepaald reptiel bij een bepaalde persoon te plaatsen. Daarom ga ik dit ook niet eens proberen. Het is namelijk veel eenvoudiger door de persoon zelf te laten kiezen wat hij of zij wil. Laat je in deze keuze door niemand beïnvloeden en denk er goed en lang over na. Handelaren en anderen met oogmerk winst zullen je toch wel overtuigen dat je moet nemen wat net zij verkopen. Ook vrienden en kennissen kunnen met zelfs de beste intenties je beïnvloeden, zij hebben een leuk reptiel en zijn ervan overtuigd dat ook jij dit dier super zal vinden. Maar is dit wel allemaal zo? Zorg dus zeker dat het jouw eigen keuze wordt, jij bent namelijk de persoon die de komende jaren voor het dier moet zorgen en ermee leven.

Het wordt een …

“Fucifer pardalis, de panterkameleon. En wat ik ben toch zo blij met deze keuze.” Oei, ai, misschien toch niet de beste keuze? Had je niet beter een wat makkelijker dier gekozen om mee te beginnen? Een Pogona vitticeps, de baardagame bijvoorbeeld, deze is veel makkelijker te houden, neem die maar.
Dit zijn commentaren die je kan krijgen van mede hobbyisten, handelaars, etc. Laat je echter ook hier niet beïnvloeden.

Een beginnersdier is zeer relatief in de reptielenhobby en kan in 80% van de gevallen compleet genegeerd worden. Het enige wat je voor elk reptiel hoeft te doen is te voldoen aan al zijn soortspecifieke behoeften. Zo klinkt het erg simpel en soms is het ook zo. De algemene voorwaarden voor reptielen heb je vast al gelezen of meegekregen van andere hobbyisten in de tijd dat je informatie vergaarde. Op dit punt is het belangrijk dat je alle soortspecifieke behoeften gaat opzoeken, die kunnen heel algemeen en specifiek zijn. Bijvoorbeeld algemeen is dat je kameleon een terrarium nodig heeft, een voorbeeld van specifieke behoefte is dat deze kameleon niet met andere dieren en zelfs soortgenoten mag gehuisvest worden.
Hoe kan je al deze informatie het best vergaren?

  • - Boeken lezen die specifiek zijn geschreven over één enkele soort.
  • - Caresheets gaan doorlezen op internet.
  • - Mede hobbyisten gaan zoeken die ervaring hebben met deze soort.

Focus je nooit op één enkele informatiebron. Niet alles wat te lezen staat is ook altijd correct. Soms zal je zelf even moeten stilstaan of iets weldegelijk correct is. Je beste leraar hierin is terugkijken naar de natuur en het biotoop waaruit de dieren komen.
Probeer ook even een kijkje te nemen bij andere hobbyisten. Bijvoorbeeld via reptielenverenigingen kom je gemakkelijk in contact met andere hobbyisten die je vaak maar al te graag willen helpen en tonen hoe zij hun reptielen huisvesten.

Zie ook het vervolg: "Deel II: Huisvesting"

Deel II: Huisvesting

 

En nu aan het werk.

Nu je gekozen hebt welk dier je gaat aankopen en alle mogelijke informatie hebt vergaard, is de tijd gekomen om alle voorbereidingen te maken voor de komst van je nieuwe aanwinst.
Reptielen kan je niet zomaar los in huis laten lopen. Ze zouden een erg pijnlijke dood tegemoet gaan aan onderkoeling, uitdroging, nierfalen, ontsteking op de luchtwegen, etc. Daarom is het belangrijk een minibiotoop te creëren in de vorm van een afgesloten huisvesting, ook wel vivarium genoemd.

 

Welk biotoop heeft mijn dier nodig?

Dit hangt geheel af van welk reptiel je hebt. Reptielen komen in allerlei warme en zelfs minder warme biotopen voor. Hier enkele bekende biotopen:

- Woestijn:
Het eerste waar aan gedacht wordt bij het woord woestijn is een zanderige en droge vlakte waar niets in staat is te overleven. Dit klopt in vele gevallen niet.
De beschrijving van een woestijn is een gebied met minder dan 200mm neerslag per jaar. Hierdoor heb je ook weinig tot geen zichtbare plantengroei. Vaak ligt de flora diep verscholen tussen stenen of hebben ze maar een klein deel die boven de grond groeit. Anderen wachten op de grote regenbuien om dan heel snel te groeien, bloeien en zaden te vormen.
Er worden vaak woestijnbiotopen nagebootst in vivaria, echter wordt dit vaak gedaan voor de verkeerde reptielen. Meeste in woestijn levende dieren leven deels ondergronds of zijn nachtdieren omdat de omstandigheden op dat moment of plek meer leefbaar zijn.

- Steppe en savanne:
Bij de verbeelding en uitleg van een steppe en savanne kan men zich best het volgende voorstellen. Het overgangsgebied tussen een woestijn en een subtropisch klimaat.
Bij steppegebieden heb je meestal twee onderscheiden. De vlakke steppe en de rotssteppe.
Per jaar valt er tussen de 250 mm en 1500 mm neerslag, meestal in de zomerperiode. Vaak na regenbuien ontstaan kleine rivieren, beken en poelen die soms tot enkele maanden blijven bestaan.
Door de beperkte neerslag heb je maar een beperkte, maar wel sterk aanwezige flora bestaande uit grassen en laag struikgewas en enkele sterk aangepaste bomen die vaak een eenzaam bestaan leiden. Na de regenbuien krijg je net als in de woestijn een opleving en verfrissing van de flora waarin vele kruiden snel groeien en bloeien.
Grotere aanwezigheid van flora brengt een grotere aanwezigheid van fauna mee. Kleine zoogdieren en insecten waaronder termieten en mierenkolonies komen vrij frequent voor, dit maakt excellent voer voor vele reptielensoorten die vaak beter zijn aangepast aan een steppeleven.

- Subtropisch woud:
De subtropen worden getypeerd door een tropische zomer maar een niet tropische winter. Binnen de subtropen heeft men nog veel verschillen bepalend door de wintertemperaturen en de algemene neerslag. De winters zijn kort en droog en het vriest er zelden of nooit. De zomers zijn warm, maar nooit heet, met overvloedige regenval.
De fauna wordt overheerst door de loofboomsoorten die tot 30 meter boven het grondoppervlak uitkomen. Hoewel ze overheersen is loof niet het enige wat er voorkomt, ook palmen, boomvarens, reuzenkruiden, struikgewas en talrijke epifyten zoals orchideeën, varens en mossen komen talrijk voor. Het groeiseizoen duurt hierbij bijna het hele jaar door. Vaak zijn er ook open gebieden waar grassen en lager struikgewas overheersen die vaak ook een heel andere fauna met zich meebrengt.
De bodems in deze streken zijn voedzaam en rijk aan organisch materiaal.
Reptielen hebben zich sterk aangepast aan deze subtropen. Door alle verschillende minibiotopen die er heersen, is er een groot assortiment aan allerhande verschillend uitziende reptielen. Sommigen hebben zich volledig aangepast aan het leven in bomen, anderen aan het struikgewas en nog anderen verschuilen zich tussen het lage gras of tussen rijkelijk begroeide rotsen.
Vele van deze reptielen hebben echter baat of nood aan een korte winterrust of zelfs winterslaap tijdens de koudere periodes. Op dit moment lijken de subtropen wel net even stil te staan.

- Tropisch regenwoud:
Wanneer we tropisch regenwoud zeggen dan denken we onmiddellijk aan een reusachtig oerwoud. Het is er warm (gemiddeld 27°) en vochtig (tussen de 70% en 100% RV) en het krioelt er van de vreemde dieren en planten. Deels is dit een correct beeld, de biodiversiteit van het tropische regenwoud is indrukwekkend. Nergens anders komen zoveel verschillende vormen van leven voor. Duizenden, zelfs miljoenen soorten dieren, schimmels en planten vormen het meest ingewikkelde levende netwerk van de hele planeet. Het tropische regenwoud wordt volledig gedomineerd door planten. Ze groeien er in alle mogelijke vormen en formaten. De flora wordt er grotendeels gedomineerd door gigantische bomen van 30 meter tot zelfs 60 meter hoog met brede kruinen die amper tot geen licht doorlaten. Dit zorgt ervoor dat er amper tot zelfs geen plantenleven is onder de kruinen en op de bodem. Andere planten lossen dit op door in de bomen te gaan leven of zich te gaan gedragen als klimmende planten zoals lianen, epifyten en wurgplanten.
Vaak spreekt men over een ondoordringbare jungle. Vaak zijn dit stukken van een tropisch regenwoud waar het licht wel de bodem raakt. Langs woudranden, wegen en paden.
Hoewel vaak anders gedacht, leeft het tropisch regenwoud op een zeer arme voedingsbodem. Doordat het woud geen rustperiode kent, worden alle organische afvalstoffen zeer snel afgebroken en terug opgenomen.
Door de grote variëteit en rijkelijk aanwezige fauna en flora komen meeste reptielen uit dit biotoop.

- Moeras of drasland:
Een moeras is een overgangsgebied tussen water en land. Vaak worden deze in stand gehouden door dieren (bvb ganzen) of mensen om verlanding te voorkomen.
Een drasland is een gebied waarin zowel water als land snel afwisselt. Vaak zijn dit natuurlijke overstromingsgebieden waar al het water wordt opgeslagen bij regenweer en bij droogte geven ze dit water terug om het natuurlijke evenwicht te bewaren.
De fauna en flora die er stand houdt bestaat vooral uit soorten die zich hebben aangepast aan een leven in en rond water. Riet, drijfplanten, waterlelies, grassen, lage struiken en lage bomen houden het grootste deel van de flora in.
Vooral insecten, amfibieën en watervogels zijn rijkelijk aanwezig. Maar ook vele andere dieren hebben zich aangepast aan dit leven. Zo ook vele reptielensoorten waarvan het grootste deel uit waterschildpadden en krokodilachtigen bestaat.

- Mangrovebossen:
Hoewel een mangrove op zich geen biotoop is, wordt het wel vaak gebruikt om een type biotoop te verwoorden. Een mangrove is in eerste instantie een type plant die zich heeft aangepast aan zoutwatergebieden. Een mangrove als biotoop is een tropisch gebied met een getij, waardoor de grond regelmatig overspoeld wordt met zoutwater. Deze biotopen komen voor bij kustgebieden en rivierdelta’s (waar rivier in zee of oceaan uitmond). Meestal hebben deze gebieden een zeer voedingsrijke bodem.
De flora bestaat vooral uit mangrovestruiken en bomen. Deze hebben zich geheel aangepast aan een leven in brak of zoutwater met een getij. Ze ontwikkelen stelt- en luchtwortels om niet te verdrinken en hun loof groeit hoog genoeg zodat ze niet onderwater komen te staan. Deze struiken en bomen vormen vaak een groot ondoordringbaar biotoop doordat de stelt- en luchtwortels door en dicht op elkaar groeien.
De fauna is er zeer rijk en vaak uitzonderlijk. Dieren moeten er net als de planten uitgerust zijn voor een leven in getijdengebieden. Krabben, slijkspringers, zeevogels, vleerhonden, apen, zeeotters, schelpdieren, garnalen en kreeften. Leven vaak in overvloed in mangrovebossen.
Reptielen worden er vaak vertegenwoordig door leguaan, agame en varaansoorten.

 

Uit deze biotopen komt het gros en de meeste bekende van de reptielensoorten, in gevangenschap aanwezig, oorspronkelijk vandaan. Dit zijn maar beperkte samenvattingen van deze biotopen. Afhankelijk van waar ze voorkomen, kunnen er heel andere minibiotopen voorkomen. Dit is aan jou zelf om uit te zoeken.
Uiteraard zijn er ook nog andere biotopen waar reptielen aanwezig zijn. Loofbossen, duinen, kustgebieden, heides, zeeën en oceanen zijn er enkele van.

 

En dan nu het vivarium kiezen.

Hoewel je veel soorten vivaria hebt, is de keuze vaak al gemaakt aan de hand van de reptielensoort die je gekozen hebt. Een vivarium is vaak al grotendeels biotoop gericht.
Of je al dan niet deze huisvesting zelf maakt, ligt geheel aan jezelf. Je kunt het vivarium zo eenvoudig of zo ingewikkeld maken als je zelf wil. Het prijskaartje is meestal goedkoper als je het bouwwerk zelf in elkaar knutselt, je kan het echter ook op maat laten maken of zelfs volledig ingerichte vivaria aankopen. Zelf ben ik van mening dat het bouwen en inrichten van vivaria een belangrijk en leerrijk deel is van de hobby die je zeker eens moet proberen. Ook zijn vele industriële vivaria niet op maat uitgerust voor jou reptielensoort. Een huisvesting is namelijk meer dan een kubus, balk of zelfs eivormige vorm.

Afhankelijk van de soort heb je verschillende mogelijkheden:

- Aquarium:
Een glazen of houten huisvesting gevuld met water. Sommige reptielen leven namelijk aquatisch (in het water), dit kan in vele gevallen het beste worden nagebootst in aquaria. Denk aan bijvoorbeeld waterschildpadden, krokodillen.
Echter zijn er voor al deze dieren vaak betere oplossingen, daar elk reptiel ooit wel eens aan land komt. Hiervoor kunnen dan plateaus aangebracht worden of met steen of hout land nabootsen.

- Terrarium:
De meest gekende huisvesting voor reptielen. Ideaal voor woestijn, steppe, weide, bos, subtropisch en tropische biotopen in na te bootsen. Terra betekent aarde, wat dan ook een belangrijk punt is. De bodem bestaat uit aarde, zand, steen, etc.
Dit soort vivarium wordt dan ook vaak verder opgedeeld in regenwoudterrarium, steppeterrarium, woestijnterrarium, etc.

- Paludarium:
Een huisvesting bedoelt om een moerasachtig biotoop na te bootsen, palus betekent dan ook moeras.
Het uitzicht van een paludarium komt in verschillende varianten voor. De ene heeft eerder een kleine modderpoel, de andere een beetje water en nog anderen nemen haast de helft van het grondoppervlak in beslag voor water. Meestal worden er tropische omgevingen mee nagebootst met een talrijke plantenbegroeiing, je kan echter ook perfect een steppepaludarium maken waarin je kleine waterbronnen nabootst rondom of in stenen.

- Riparium:
Meestal bedoeld voor de wat grotere waterliefhebbende reptielensoorten in te huisvesten. Ripa betekent oever, dus een oever nabootsing.
Dit soort huisvesting wordt vaak verward met een paludarium, bij een riparium echter ligt de nadruk veel meer op een watergedeelte die soms wel het hele grondoppervlakte in beslag neemt.
In meeste riparia wordt ook gebruik gemaakt van kleine watervallen of waterlopen om zelfs nog meer water te creëren, in de meeste gevallen zijn dit dan ook al aardig grote ruimtes, soms wel hele kassen of serres.
Eén van de voordelen van een riparium is dat er soms meerdere diersoorten bij elkaar kunnen gehouden worden, dit omdat je meerdere biotopen bij elkaar brengt. Reptielen, vissen, amfibieën en schaaldieren kunnen in de mate van het mogelijke samen in één groot riparium, uiteraard ervoor zorgend dat ze niet elkaars voedsel worden.

- Serre of kas:
Alle vorige huisvestingsmogelijkheden kunnen nagebootst worden in een serre of kas. Afhankelijk van de grootte kunnen zelfs meerdere biotopen worden gecreëerd als minibiotopen, bijvoorbeeld terra (aarde), palus (moeras), ripa (oever) en aqua (water) kunnen allen in dezelfde kas voorkomen.
Het hoeft waarschijnlijk niet gezegd te worden dat dit voor veel reptielen de meest ideale omgeving is en voor mensen de mooiste. Uiteraard hangt hier ook een prijskaartje aan vast, hoewel als je een beetje handig bent heel veel kosten kunt uitsparen.
Door de grootte van een serre of kas kan het biotoop vaak zo sterk nagebootst worden dat je een klein ecosysteem creëert. Zo is het perfect mogelijk een huisvesting te ontwerpen waar je na enkele jaren bijna niets tot niets meer aan hoeft te doen. Uiteraard moet je hierbij het perfecte evenwicht vinden. Plantenetende reptielen zijn meestal niet geschikt hierin, daar de planten niet snel genoeg kunnen herstellen. Reptielen die af en toe wat plantaardig voedsel eten kunnen wel, vaak eten ze enkel de vruchten of bloemen. Hou er ook rekening mee dat je geen massa’s carnivoren kan houden zonder dat je zal moeten bijvoeren, de voedseldieren kunnen zichzelf dan niet in stand houden. Het perfecte evenwicht is dus een leerrijk programma die enkele jaren van onderzoek en experimenteren zal vragen.

- Buitenhuisvesting:
Een huisvesting die gebruikt wordt om reptielen en anderen buiten te huisvesten. In vele gevallen kan je dit vergelijken met volières. Voor de meeste dieren kan dit enkel overdag en in de zomer gebruikt worden, in onze contreien hebben we namelijk geen tropische temperaturen het hele jaar door en al zeker niet tijdens de nachten. Ook kleine en snelle reptielen met ontsnappingskunsten kunnen beter vermeden worden.
Waarom zouden we dan buitenterraria gebruiken? Dieren die buiten zitten onder een naakte hemel krijgen natuurlijk UV licht, voor veel reptielen is dit een haastte noodzaak. Hoe goed het echte zonlicht ook wordt nagebootst, het is nooit zogoed als de zon zelf. Daarnaast heeft het ook andere voordelen, het natuurlijk gedrag van de dieren wordt aangewakkerd wat kan vergeleken worden met een gezonde stress.
Ook kunnen de dieren dan geregeld wat wilde insecten vangen, die haast altijd voedzamer zijn dan de gekweekte.

- Curver en faunabox:
Een huisvesting die voor mij niet geschikt is om reptielen in te houden, echter zal ik deze toch bespreken.
Een curver is een plastieken doos die in verschillende groottes te vinden is. Ze zijn half tot niet transparant, wat wil zeggen dat je er niet of amper kan doorkijken. Deze curvers worden dan vaak massaal in rekken geplaatst.
Voor mij zijn curvers dan ook niet meer dan gemakzucht en een manier om zoveel mogelijk dieren te huisvesten. Klein detail is dat je ze wel niet degelijk kan bekijken zonder ze te storen. Ik ga hier dan ook geen gehele discussie over openen, maar zal ze zeker niet aanraden aan medehobbyisten.
Ze kunnen echter wel van pas komen voor bijvoorbeeld nakweek ‘tijdelijk’ in te plaatsen.

 

Een vivarium houdt uiteraard meer in dan de vorm en inrichting. Zoals eerder al aangekaart hebben reptielen algemene en basisbehoeften. Om aan deze te voldoen moet men zich houden aan bepaalde punten.
Vaak zal men in gespecialiseerde winkels bepaalde producten verkopen speciaal voor reptielen. In vele gevallen bestaan deze producten al voor andere toepassingen en altijd veel goedkoper. Je betaalt dus eigenlijk het doosje met een reptielentekening erop. Zoek dus zeker en vast altijd naar alternatieven.
Voor zaken met betrekking tot het klimaat (lichtduur, UV, temperatuur, neerslag, etc.) is het soms beter om klimaattabellen te gaan zoeken van een bepaalde plaats dan zomaar blindelings volgen wat geschreven staat in soortspecifieke boeken of sheets. Deze tabellen zijn gemakkelijk te vinden op het internet. Indien je ze daar niet vindt, kan je altijd nog weerstations contacteren voor deze data.
Enkele basispunten die komen kijken bij de bouw van een goede huisvesting:

- Licht:
Reptielen, of ze nu dag of nachtactief zijn, hebben licht nodig. Een natuurlijke dag en nachtcyclus is heel belangrijk voor de dieren. Het zorgt voor activiteit, slaap, jacht en voor sommigen is licht zelfs een indicatie om de winterrust of winterslaap voor te bereiden.
Hoe boots je dit nu na? Wel om simpel uit te leggen, met lampen. Spots, halogeenlamp, led verlichting, spaarlampen, tl lampen, etc. Ook kan het heel goed helpen om de huisvesting zo te plaatsen dat er natuurlijk daglicht binnenvalt, let hierbij wel op dat je geen direct zonlicht in het vivarium krijgt, je wilt namelijk geen gebraden reptiel. Steeds meer wordt er gebruik gemaakt van lichtreflectie om de lichtintensiteit te verbeteren. Dit gebeurt ondermeer door aluminium aan de bovenkant van het vivarium te bekleden, dit weerkaatst het licht van lampen.
Wat veel vergeten wordt, en toch belangrijk is, is nachtlicht. In het wild heb je tijdens de nacht vaak meer licht dan in eerste instantie gedacht wordt. Denk aan maanlicht. Dit kan nagebootst worden met bijvoorbeeld blauwe lampen van een laag wattage.
Daarnaast is het voor veel (dagactieve) reptielen belangrijk om een UV bron te hebben. Vooral UVB is belangrijk en in mindere mate UVA. De UV zorgt ervoor dat de reptielen via hun huid vitamine D3 kunnen aanmaken, wat gebruikt wordt om ondermeer calcium om te zetten in materialen voor de skeletbouw. Vele reptielensoorten hebben ook nood aan UV voor de jacht of herkenning van soortgenoten, paringsbereidheid, etc. Reptielen kunnen namelijk UV licht waarnemen, iets wat de mens niet kan.
UV komt normalerwijze van de zon en komt in beperkte hoeveelheden door de atmosfeer. UV komt niet door glas en maar in zeer beperkte mate door plexiglas, daarom is het noodzakelijk voor je reptiel om voor een alternatief te zorgen. Dit alternatief zijn UV lampen en komen in allerhande vormen voor. Afhankelijk van de hoeveelheid UV jouw dier nodig heeft moet je een beslissing maken. Zorg dat je zeker en vast de correcte lamp kiest, het kan namelijk levensnoodzakelijk zijn voor de gezondheid van jouw reptiel. Reptielen met een uiterst hoge nood aan UV moeten vaak zelfs met de beste UV lampen nog vitamine D3 toegevoegd krijgen. Let wel op voor overdosering. 
Zonder reclame te maken voor bepaalde merken van lampen kan ik wel meegeven dat lampen onder de €25.00 haast nooit geschikt zijn voor reptielen met nood aan UV. Zo zijn er veel waardeloze lampen op de markt die als UV lamp worden verkocht, maar amper tot geen UV afgeven.
Elk jaar of halfjaar moeten de lampen vervangen worden omdat ze dan geen UV afgifte meer hebben.

- Temperatuur:
Een reptiel is koudbloedig en is voor zijn lichaamswarmte afhankelijk van zijn omgeving. Jij moet er dus voor zorgen dat je voor de ideale temperatuur zorgt. Dit wordt meestal verwezenlijkt via lampen, warmtematten, warmtekabels en in grotere ruimtes kachels. Zorg dat de dieren niet rechtstreeks aan deze warmtebronnen kunnen, ook reptielen kunnen namelijk brandwonden oplopen.
Meestal heb je hierin 4 onderverdelingen binnen een vivarium.
Baskingspot/hotspot: Is altijd de warmste plek, onder de warmste lamp(en), in het vivarium en zorgt ervoor dat de reptielen voldoende en snel kunnen opwarmen. Belangrijk voor de algemene gezondheid, activiteit en darmflora. Hoe kan je weten welke temperatuur dit moet zijn voor jouw dier? Kijk naar het natuurlijke biotoop van jouw reptiel, de temperatuur die gemeten wordt in de directe zon rond de middag is hiervoor meestal de ideale temperatuur. In rotsbiotopen of plekken met veel steen moet er vaak gekeken worden naar de temperatuur van de rotsen en stenen die in de volle zon liggen.
Algemene omgeving: De gemiddelde temperatuur die gemeten wordt op verschillende plekken in de huisvesting. In de natuur vaak gemeten in de schaduw of halfschaduw afhankelijk van het biotoop. Algemeen de plek waar de reptielen het meeste rondlopen.
Schaduw/koel zone: Plek waar de koelste of koudste temperatuur wordt waargenomen. Vaak op een schaduwrijke plek, in grotten, holen of gangen. In de natuur, afhankelijk van het biotoop, wordt deze temperatuur ook op die plaatsen gemeten.
Nacht: Temperatuur die er tijdens de nacht wordt waargenomen. Dit is veel verschillend, voor vele soorten geldt een algemene daling van 5° Celsius. Kijk dit toch even na voor jou soort.
Als je deze vier in acht houdt sta je al ver. Sommige soorten hebben ook nog nood aan een forse daling in temperatuur in de wintermaanden en gaan dan afhankelijk van de temperaturen in winterslaap of winterrust. Vele soorten kunnen ook het hele jaar door op dezelfde temperatuur gehouden worden.

- Luchtvochtigheid:
Afhankelijk van hun afkomst, hebben alle reptielen een nood aan een bepaalde luchtvochtigheid of relatieve vochtigheid (RV). De correcte RV is noodzakelijk voor een gezond reptiel. Huid, vervelling, darmflora, nierfunctie zijn maar enkele van de zaken waar de RV een groot effect op heeft.
Er worden in de hobby zeer veel fouten gemaakt met luchtvochtigheid. Vooral bij woestijn, steppe en heidedieren. Mensen gaan er snel vanuit dat woestijn en steppe een droge lucht aanvoert. Dit deel is wel waar, maar veel reptielen leven er deels in holen, gangen en kleine grotten die vaak een pak vochtiger zijn dan het oppervlak. Ook zijn veel van deze gebieden tweeseizoensgebieden. Waar je een droog en nat seizoen krijgt, dit heeft veel invloed op het biotoop. Een goed voorbeeld hiervan is de baardagame die leeft op de Australische steppen en half woestijnen. Een relatief groot deel van het jaar zijn in deze gebieden kleine rivieren, beken en poelen te vinden. Deze geven niet enkel een hogere RV, maar ook een plek waar dieren gaan drinken en zelfs baden. Velen binnen de hobby houden hier helemaal geen rekening mee en zetten hun baardjes te droog het hele seizoen door.
Goede manieren om de RV op peil te houden zijn, handmatig sproeien, sproeisystemen, regensystemen, mistsystemen en zelfs waterbakjes waar het water deels van verdampt. Ook het type bodembedekking en beplanting kan een grote invloed hebben op de RV.

- Ventilatie:
Dieren hebben net als mensen nood aan zuurstof, in een geheel afgesloten bak zouden je dieren eigenlijk na een tijd kunnen stikken of aan zuurstofarmoede gaan leiden. Zorg dus voor een constante toevoer van nieuwe lucht via ventilatieopeningen. Een basismethode is gebruik te maken van één ventilatie bovenaan en één onderaan, zo krijg je een goede luchtstroom.
De luchtstroom is ook belangrijk om de groei van schimmels en bacteriën tegen te gaan in de bak. Plekken waar de lucht goed ververst wordt komen namelijk veel minder schadelijke schimmels en bacteriën tot hun recht.

- Openingen:
Op een bepaald punt moet je uiteraard wel eens in de huisvesting kunnen. Hiervoor heb je een opening nodig. Er zijn massa’s goede manieren waarop je dit kan verwezenlijken. Meest gebruikte zijn de schuiframen. Ook klapdeuren of ramen worden wel eens gebruikt, vaak voor giftige dieren ter bescherming van de handen.
Eén methode die best vermeden wordt is een opening langs boven te maken, of tenminste niet als enige methode mag gebruikt worden. Reptielen, en ook andere dieren, kunnen dit als bedreiging zien en je hand aanzien als een roofvogel. Dit geeft je dier onnodige stress en gaat gepaard met mindere gezondheid en algemeen minder plezier aan je dier.

 

Na deze basispunten, die zeker aan bod moeten komen, heb je uiteraard nog andere zaken. Keuze bodemmateriaal, inrichting, stammen, takken, twijgen, rotsen, stenen, beplanting (echt of nep), achter en zijwanden en schuilplaatsen komen ook zeer zeker aan bod. Omdat er hierin zoveel keuze is en dit voor alle dieren anders kan zijn, ga ik hier maar zeer beperkt op in.
En ook hier is de reptielenhandel een grote factor van een ‘te’ dure hobby. Zoek dus zeer zeker naar alternatieven. Vaak vind je exact hetzelfde in tuinhandel of in doe het zelf zaak voor een spotprijs.

- Bodemmateriaal:
Loop niet direct naar een gespecialiseerde dierenwinkel om een hoop zakken bodemmateriaal te gaan halen. Dit is prijzig en kan meestal onder ander merk gevonden worden in een tuincentra.
Combineer materialen, meng bijvoorbeeld zand met leem/klei om beter graafbaar te maken.
Pas op met potgrond, zorg dat er geen pesticiden aan toegevoegd zijn, deze zijn schadelijk voor je dieren.
Ga geen houtsnippers leggen bij woestijnbewoners als voorbeeld. Probeer steeds zogoed mogelijk het natuurlijke biotoop na te bootsen.

- Inrichting:
Het is niet alleen wat er in je vivarium komt, maar ook hoe je het plaatst. Een hoge glazen vivarium voor een boombewoner met geen enkele optie om naar boven te klimmen is even effectief als een lage.
Richt de huisvesting druk genoeg in. Zo creëer je een groter oppervlak voor je dier. Ga niet enkel achteraan in het vivarium gaan inrichten. Indien je ook het midden en voorkant wat drukker inricht krijg je vaak een mooier dieptezicht.
Te druk echter is ook niet altijd het beste idee. De bedoeling is het oppervlak te vergroten. Als je heel het vivarium volpropt is er geen plek meer voor het dier zelf.

- Stammen, takken, twijgen, wortels: Afhankelijk van de grote van je reptiel en zijn huisvesting maak je gebruik van stammen, takken, twijgen, wortels of een combinatie ervan. Ze geven een directe meerwaarde, ogen natuurlijk, geven steun aan planten en zorgen voor een vergroting van de ruimte.
Ga het hout zo plaatsen dat de dieren zowel horizontaal, verticaal, als diagonaal kunnen zitten. Zorg er ook voor dat de dieren er goed kunnen op klimmen, gladde takken kunnen vele dieren niet op klimmen. Dunne twijgen kunnen ook gebruikt worden in vivaria voor grote dieren, ze zullen er niet rechtstreeks op klimmen, maar andere planten kunnen ze als steun gebruiken. Vooral voor boombewonende soorten van toepassing.
Pas op met hout zomaar uit de natuur te gaan halen, het hout die al op de bodem ligt is meestal al begonnen te rotten en ontbinden. Ook brengen ze schimmels en bacteriën mee. Hout die je vers van de bomen haalt kan schade geven aan de boom en zomaar snoeien in bossen, parken of perken is meestal niet toegelaten. Hout die je snoeit uit de tuin kan wel geschikt zijn. Laat het hout wel altijd goed drogen vooraleer te gebruiken.

- Steen en rots:
Deze kunnen een goede meerwaarde geven aan je vivarium. Vooral voor rotsbewonende reptielen.
Kunnen gebruikt worden om schuilplaatsen en grotten mee te bouwen. Zorg wel dat alles stevig gebouwd is. Niemand wil dieren bedolven zien onder een hoop stenen. Dit kan je verhelpen door alles aan elkaar te kitten (lijm/siliconen) of te cementeren.

- Beplanting:
Niets mooiers als een tropisch vivarium vol groeiende en bloeiende planten. Maar ook in steppe en zelfs woestijnen groeien planten. Ze brengen ook voordelen mee. Helpen de luchtvochtigheid in stand te houden, ruimen het materiaal op door te gebruiken als voedingsstoffen, zorgen voor schuilplaatsen en kunnen zelfs de huisvesting lekker doen ruiken of parasieten en andere schadelijke aandoeningen voorkomen.
Het is echter niet eenvoudig om de juiste planten te vinden om in vivaria te houden. Niet zozeer om de houdbaarheid, eerder om de dieren die erbij zitten. Deze houden namelijk geen rekening met de planten en zeker de grotere soorten kunnen ze vrij snel vernielen.
Voor wie geen groene vingers heeft en niet weet welke planten mogelijk zijn, zijn er altijd nepplanten ter beschikking die het vivarium kunnen verfraaien.

- Achter en zijwanden:
Niets is leuker dan je eigen achterwand te maken. Het geeft ook nog eens klimmogelijkheden, schuilplaatsen, zorgt voor grotere oppervlakte door middel van plateaus en het oogt nog eens fraai. Ook kurk of turfplaten kunnen gebruikt worden. Uit varenwortelplaten groeien bij voldoende vochtigheid spontaan mossen en varens uit.

 

Eens het vivarium volledig afgewerkt is, laat je het minstens 2 weken (met planten 1 à 2 maand) actief staan vooraleer je er een dier in huisvest. Dit moet gebeuren omdat je in die tijd vaak nog fouten opmerkt en hier en daar nog aanpassingen kunnen gemaakt worden.

 

Hoe groot moet mijn vivarium zijn?

Je weet welk soort vivarium je nodig hebt, hoe je het zal inrichten, je hebt zelfs al een ontwerp gemaakt. Maar hoe groot moet die nu zijn?
Overal waar je zal kijken en lezen over vivariummaten zal er sprake zijn van minimummaten. Daar deze minimummaten vaak gepubliceerd worden door onwetenden of personen die er baat bij hebben deze te vermelden (bvb kleinere vivaria verkopen beter), moet je hier totaal niet naar kijken.
Hoe groter hoe beter. Dit is de gulden regel voor het maken van vivaria. Maar uiteraard zijn er nog wel andere zaken die erbij komen kijken. Alweer moet je jezelf enkele vragen stellen.

- Hoe groot wordt mijn reptiel?
Hoe groter het reptiel, hoe groter de huisvesting moet zijn.
Belieg jezelf hier niet in, je hoort maar al te vaak “Deze soort wordt tot 60 cm groot, maar meestal blijven ze maar 45 cm”. Ga in deze gevallen altijd uit van het maximum gemiddelde, in geval van voorbeeld dus 60 cm. Een maximum gemiddelde is geen uitzondering en komt zeer vaak voor. Ook uitzonderingen komen voor van dieren die boven het maximum gemiddelde pieken, deze zijn echter niet altijd duidelijk te zien bij jonge dieren en kunnen niet voorspeld worden.
Een reptiel meet je best met een meetlint of een touw. Zo maak je minder fouten bij kronkellende reptielen.

- Hoeveel reptielen in één vivarium?
Meerdere reptielen in één vivarium wil ook zeggen dat ze meer ruimte nodig hebben. Reptielen zijn grotendeels solitair (op enkele uitzonderingen na) en hebben dus ruimte nodig om een territorium op te bouwen. Vooral mannelijke reptielen kunnen grote territoria innemen waar geen andere mannen van dezelfde of zelfs andere soort welkom zijn.
Houd geen enkele reptielensoort met meer dan 5 in één vivarium (tenzij grote serres of kassen). Voor vele soorten is 5 dieren zelfs nog teveel.

- Welk type reptiel heb je (bodembewoner, boombewoner, rotsbewoner, etc.)?
Het is voor de hand liggend dat een bodembewoner een groot grondoppervlakte nodig heeft, terwijl boombewoners meer hoogte nodig hebben.
Er zijn ook massa’s reptielen die zowel op de bodem als in de hoogte leven, deze hebben grotere huisvestingen nodig dan anderen.

Een basisbouw vivarium bestaat uit een lengte (l), een diepte of breedte (d) en een hoogte (h). We spreken dan over L x D x H.
De volgende berekening kan als maatstaf genomen worden voor de afmetingen van jouw vivarium. Uiteraard is nog groter, nog beter. Ook kan er gespeeld worden met de lengte en diepte. Voorbeeld een vivarium van 200 cm lengte en 60 cm diepte, kan je het volgende ook maken, 180 cm lengte en 80 cm diepte.

- Lengte:
Hagedissen:
Kleiner dan 40 cm: 3,5 maal de grootte van het dier. Per dier extra moet er 0,5 maal de grootte van het dier worden bij gerekend.
Kleiner of gelijk aan 50 cm:  3 maal de grootte van het dier. Per dier extra moet er 0,5 maal de grootte van het dier worden bij gerekend.
Kleiner of gelijk aan 100 cm: 2,5 maal de grootte van het dier. Per dier extra moet er 0,5 maal de grootte van het dier worden bij gerekend.
Groter dan 100 cm: 2 maal de grootte van het dier. Per dier extra moet er 1 maal de grootte van het dier worden bij gerekend.

Slangen:
Kleiner dan 120 cm: 1 maal de grootte van het dier. Per dier extra moet er 0,5 maal de grootte van het dier worden bij gerekend.
Kleiner of gelijk aan 300 cm: 0,8 maal de grootte van het dier. Per dier extra moet er 0,5 maal de grootte van het dier worden bij gerekend.
Groter dan 300 cm: 0,5 maal de grootte van het dier. Per dier extra moet er 0,25 maal de grootte van het dier worden bij gerekend.

Schildpadden:
Kleiner dan 50 cm: 5 maal de grootte van het dier. Per dier extra moet er 1 maal de grootte van het dier worden bij gerekend.
Groter dan 50 cm: 4.5 maal de grootte van het dier. Per dier extra moet er 1 maal de grootte van het dier worden bij gerekend.

- Diepte/breedte:
En verwaarloosde afmeting. Vaak zie je dat dit veel te weinig is. Een dier moet zich in eerste instantie goed kunnen verplaatsen. Dit houdt in dat in een vivarium het dier moet kunnen draaien.

Hagedissen:
Kleiner dan 50 cm: 50 cm als diepte. Per dier extra moet er 0,25 maal de grootte van het dier worden bij gerekend.
Kleiner of gelijk aan 60cm: 1,2 maal de grootte van het dier. Per dier extra moet er 0,25 maal de grootte van het dier worden bij gerekend.
Groter dan 60 cm: 1 maal de grootte van het dier. Per dier extra moet er 0,25 maal de grootte van het dier worden bij gerekend.

Slangen:
Bij slangen kan men niet dezelfde diepte laten gelden dan bij hagedissen. Het is moeilijk in te schatten op lengte, daar de ene slangensoort pakken breder kan zijn dan de andere. Daarom nemen we de volgende regel in acht.
De diameter van de opgerolde slang 2.5 maal. Per extra slang 0.5 maal de diameter van de opgerolde slang erbij rekenen.

Schildpadden:
Daar schildpadden amper tot geen baat bij hoogte hebben, moet dit goedgemaakt worden door de diepte. Daarom nemen we als regel: lengte huisvesting delen door 2 als diepte. 

- Hoogte:
De moeilijkst te berekenen afmeting. Meestal is dit geheel biotoopgericht, zo heeft een boombewonende slang uit de tropen niet dezelfde hoogte nodig als een hagedis uit een zandwoestijn.
Vaak moeten er ook enkele zaken in de afmeting berekend worden. Zoals hoogte substraat of water. Zaken die niet moeten ingerekend worden zijn kastjes, lampenkap, etc. Deze behoren niet tot de rechtstreekse dierenomgeving.

Bodembewonende hagedissen:
Dieren die vaak op of in de bodem leven. Hoewel vele van deze hagedissen bekend staan als bodembewoners, kunnen ze soms waargenomen worden op rotsen of zelfs eenvoudig bereikbare brede takken tot soms wel enkele meters boven de grond.
In vivaria moet men ervoor zorgen dat deze hoger gelegen plateaus goed bereikbaar zijn. Verticaal omhoog klimmen is uitgesloten, een stijgingshoek van 45° is het maximum.
Vivaria met een lengte kleiner dan 100 cm: 50 cm als hoogte.
Vivaria met een lengte groter dan 100 cm: lengte huisvesting delen door 2 als hoogte.

Boom- of rotsbewonende hagedissen:
Kleiner dan 30 cm: 120 cm als hoogte.
Kleiner dan 50 cm: 150 cm als hoogte.
Groter dan 50 cm: 200 cm als hoogte.

Bodembewonende slangen:
Houdt er rekening mee dat vele van deze slangen in het substraat leven of in holen en onder afgestorven bomen. Zorg dus dat de huisvesting hoog genoeg is om voldoende substraat te leggen.
Vivaria met een lengte kleiner dan 100 cm: 50 cm als hoogte.
Vivaria met een lengte groter dan 100 cm: lengte huisvesting delen door 2 als hoogte.

Boombewonende slangen:
Kleiner dan 100 cm: 120 cm als hoogte.
Groter dan 100 cm: 150 cm als hoogte.

Schildpadden:
Deze dieren hebben geen baat bij hoogte. Het kan zelfs gevaarlijk voor ze zijn.
Hoogte schildpad maal 3 is voldoende als hoogte.

 

Ik wil een jong reptiel, hoe regel ik dit met mijn vivarium?

Jonge opgroeiende reptielen worden vaak in veel kleinere vivaria gehouden. Dit is iets waar serieus mee moet opgepast worden.
Er bestaan veel vooroordelen over jonge reptielen in grote huisvestingen. Meestal zijn deze geheel onterecht. Ook deze vooroordelen worden vaak verspreid door mensen met onkunde of die er baat bij hebben (handel).
De meest besproken van de vooroordelen is dat de dieren hun voedsel niet vinden in grotere vivaria.
Als dit waar zou zijn, zou er geen enkel dier op aarde meer te vinden zijn. Ze vinden hun voeding in de natuur wel, waarom dan niet in een grote huisvesting. Het is gewoon aan de eigenaar van het dier om voor een groot genoeg aanbod te zorgen van voeding.
Voedsel(dieren) in het vivarium verspreiden of laten rondlopen. Let op dat rondlopend voer geen bedreiging wordt voor jouw reptiel.
Voedsel(dieren) in een kom (met gladde wanden) plaatsen.
Zorg dat je soorten neemt die niet kunnen springen of tegen gladde wanden kunnen omhoog kruipen. Bijvoorbeeld wasmotlarven, dola’s, dubia’s, pissebedden, etc.
Veranker de kom goed zodat de reptielen het niet omver kunnen gooien.
Voer de dieren in kleinere ruimtes. Vooral van toepassing bij slangen die levende knaagdieren gevoerd krijgen. Zo kan indien nodig het voer verwijderd worden indien het reptiel niet wil eten.

Het is dus zo dat jonge dieren evengoed in een groot vivarium kunnen. Kleinere huisvestingen hebben zelfs enkele nadelen.
Jonge reptielen worden vaak te klein gezet. Mensen denken vaak dat jonge dieren niet zoveel plaats nodig hebben dan volwassen dieren. Waarom dit is, heb ik het raden naar.
Een mogelijkheid is dat mensen denken dat reptielen als zoogdieren zijn. En dus afhankelijk zijn van de ouders (of in dit geval mensen) voor voeding(zogen), veiligheid en leer van het leven. De werkelijkheid bij reptielen is dat een jong dier alle kennis en capaciteiten al bij zich draagt om te overleven, het zijn miniatuur volwassenen.
Jonge reptielen groeien, maar de huisvesting niet. De jonge dieren worden klein gehuisvest, maar groot genoeg momenteel. Echter het dier groeit al snel, vaak veel sneller dan gedacht wordt.
Maar dan komt het dat mensen vaak te laat of niet beginnen aan een nieuwe en grotere huisvesting waardoor de reptielen al snel te klein komen te zitten.
Te kleine huisvestingen zorgen voor te weinig lichaamsbeweging. Dit zorgt voor vervetting, botproblemen, spierproblemen en groeiachterstand.

Zorg dus dat je tijdig zorgt voor een huisvesting die voldoet voor jouw reptiel.

 

Waar plaats ik mijn vivarium in huis?

Hoewel dit meestal een persoonlijke keuze is, kan ik hier toch enkele tips geven. Zo zit je later niet met het probleem dat je reptiel een hindernis wordt.

De beste plek om een vivarium te plaatsen is nog steeds de hobbykamer. Een plek waar je al je vivaria samen plaatst, alle benodigdheden erbij en een stoeltje. Kom je dan thuis van een stresserende dag op het werk, ga je naar je reptielenkamer en zet je jezelf op je stoel en geniet. Koop een handige draaistoel zodat je 360° rond kan draaien zonder teveel beweging of lawaai.
Houdt er wel rekening mee dat een hobbykamer geen reden is om alles kleiner te gaan plaatsen. Mits je alles goed indeelt en enkele kasten of statieven kan maken met ingebouwde vivaria blijft alles er zeer strak uitzien.
Belangrijk in de hobbykamer is de hygiëne. Niet enkel de huisvestingen moeten verzorgd zijn, ook de kamer moet stofvrij (vermijd dus tapijten en dergelijke) zijn en niet te hard gaan geuren. Infecties, bacteriën, schimmels en zelfs parasieten verspreiden zich snel. Probeer dus zoveel mogelijk kiertjes en kantjes te vermijden. Maak gebruik van gladde ondergrond zoals vinyl en gebruik bij voorkeur afwasbare muren. Installeer indien mogelijk ook een wasbakje met een zeeppompje, je handen kunnen namelijk ook veel ziektes en problemen overdragen.
Zorg ook dat je de kamer kan verluchten, verlichten en zelfs verwarmen. Een gehele kamer verwarmen kan soms besparen in de kosten voor energie, zelfs wanneer bepaalde dieren bij verwarmd moeten worden.
Veiligheid is ook erg belangrijk. Met zoveel elektrische apparaten bij elkaar is er altijd enig risico. Zorg dus dat je een rookalarm plaats, ook een brandblusapparaat is geen overbodige luxe.
Hoewel ik geen voorstander ben van reptielen los in huis, kan het in de hobbykamer soms wel. Maar dan moeten er wel enkele voorzorgsmaatregelen getroffen worden. Denk hiermee niet dat je eender welk reptiel los kan laten in de hobbykamer, ik ben er resoluut tegen om slangen, hagedissen, schildpadden en krokodillen los in de hobbykamer te huisvesten. De enige dieren die je in sommige gevallen los kan laten in de kamer zijn muurgekko’s, zowel dag als nachtactieve zijn mogelijk. Uiteraard moet de temperatuur, luchtvochtigheid, licht (UV voor dagactieve), voeding en water en enkele planten aanwezig zijn. Ook deuren moeten speciaal uitgerust zijn, gekko’s durven wel eens tussen de deuropeningen kruipen met alle gevolgen van dien als je de deur opent of sluit. Ook moeten deze dieren gevoederd worden. Een slangenhouder die geen insecten nodig heeft kan best geen gekko’s loslaten. Iemand die veel insecten gebruikt komt dus beter in aanmerking, ontsnapte insecten alleen zullen echter niet genoeg voeding zijn. Daggekko’s kunnen bijgevoerd worden met fruitpapjes.
Al bij al, raad ik het liever af om dieren los te laten lopen dan dat ik het zal aanraden.

Uiteraard kunnen vivaria ook in andere ruimtes geplaatst worden. Huiskamer, keuken, kantoor, zolder (meer als hobbykamer), etc. Probeer in elk geval volgende zaken te vermijden:
- Een te drukke omgeving.
Spelende kinderen.
Naast de muziekinstallatie of tv.
Plek waar andere huisdieren constant in het zicht lopen.
- Een ongezonde omgeving.
Kamer waar veel gerookt wordt.
Waar chemicaliën gebruikt worden (verf, reinigingsmiddelen, pesticiden, etc)
- Slaapkamer. Hoewel dit zelf te beslissen valt, is een slaapkamer niet altijd de beste plek om je reptielen te plaatsen.
Nachtactieve reptielen kunnen je wakker houden door hun activiteit.
Insectenetende reptielen hun voeding kan en zal in de nacht een mooie serenade voor je geven. Jammer genoeg zijn de decibels vaak zo hoog dat je niet in slaap valt.
Vaak zijn er bepaalde delen aan een vivarium die lawaai maken. Bijvoorbeeld een filter of een waterval/loop.
En wie weet houd je zelf je reptielen niet wakker in de nacht met je eigen nachtelijke activiteiten.

Dit in acht houdend zijn er nog tal van plekken waar je jouw vivarium kan plaatsen.

 

De quarantaine huisvesting.

Het vivarium dat door iedereen vergeten wordt en toch zeer belangrijk is. Ieder hobbyist moet minimum 1 quarantaine huisvesting tot zijn beschikking hebben.

De quarantaine huisvesting is een plaats waar:
Nieuwe dieren worden gehuisvest voor circa een maand vooraleer ze in het definitieve vivarium geplaatst worden. Dit om zeker te zijn dat het dier wel voldoende gezond is en geen ziektes meedraagt.
Zieke of gewonde reptielen kunnen herstellen.
Een noodhuisvesting als er problemen zijn in het huidige vivarium. Bijvoorbeeld vechtende dieren, te hoge concurrentie in territorium, oversekste man die vrouw niet met rust laat, schade aan huidig vivarium.
Onverwachte jongen die gehuisvest kunnen worden. Het komt wel eens voor dat men niet gemerkt heeft dat een vrouwelijk reptiel zwanger was en stiekem eitjes of jongen heeft gelegd. Bij wonder komen deze uit in het vivarium, heb je dus een snelle oplossing nodig om deze jongen in onder te brengen.

Een quarantaine huisvesting is dus in eerste instantie een noodoplossing.
Met betrekking tot zieke dieren houdt men de huisvesting best zo ‘clean’ mogelijk. Dit houdt in dat er geen overbodige zaken in mogen zitten. Plaats geen achterwanden, geen substraat en geen andere natuurlijke producten (takken, planten, steen).
Richt het quarantaine vivarium in met onderaan wat keukenpapier, als schuilplaatsen kan je keuken of wc rollen gebruiken en dozen met daarin een opening waar het dier doorkan. Heb je dieren die van nature in hun substraat leven kan je bijvoorbeeld wat keukenpapier verscheuren en verfrommelen zodat de dieren zich daar in weg kunnen steken.
Alle inhoud van het vivarium moet dus of goed afwasbaar zijn of snel vervangen worden. Elke dag of om de twee dagen vervangen is geen overbodige luxe, probeer dit wel te doen met zo weinig mogelijk stress voor het dier. Bijvoorbeeld als het reptiel in een schuilplaats zit.
Houd er wel rekening mee dat zieke dieren in quarantaine aan al hun basisbehoeften moeten voldoen. Licht (UV), warmte, luchtvochtigheid, luchtcirculatie, water en voeding.

Voor andere quarantaine dieren mag de inrichting drukker en met natuurlijke producten. Zorg hierbij wel dat eens het dier uit quarantaine kan of mag, de quarantaine huisvesting goed kan worden schoongemaakt en ontsmet wordt. Een gouden regel: Eén dier per quarantaine huisvesting. Zo kunnen dieren elkaar niet stressen en besmetten.

 

Zie ook het vervolg: "Deel III: Voeding"

Deel IV: Kweek

 

Ik wil gaan kweken met mijn reptielen.

Bezint eer u begint.
Kweken met reptielen wordt steeds populairder binnen de hobbyisten. Zowel de meer ervaren als de beginners willen zich direct gaan focussen op de kweek. De redenen waarom dit gebeurd liggen vaak uiteenlopend en zijn niet altijd met de beste bedoelingen.
Men kweekt niet in grote mate met honden, katten, vissen, etc. als gewone hobbyist of dierenliefhebber. Waarom dan wel met reptielen?
Reptielen doen kweken is in vele gevallen helemaal niet moeilijk. Integendeel, sommige reptielen zijn zo gemakkelijk te kweken dat er tot op heden een overaanbod is. Vraag jezelf dus eerst af of het verantwoord is te kweken met jouw reptielen.

 

Het nut en redenen van kweken.

Vraag jezelf even af welk nut het heeft te kweken met reptielen. Of welk onnut.
- Bewijs van gezonde reptielen:
Mensen komen vaak met excuus, ‘als mijn reptielen kweken zijn ze in optimale gezondheid’. De waarheid is vaak teleurstellend, want vele reptielen kweken ook als ze niet in goede gezondheid zijn. In hun oerinstinct laten ze zich leiden door het overleven van het ras en niet het overleven van het dier. Dit maakt dat het excuus, bewijs van gezondheid, allang achterhaald is en dus geen reden is om je reptielen te laten kweken.
- Kweken voor de gezondheid van jouw reptielen:
Hoewel de link niet direct gelegd wordt, kan de algemene gezondheid van jou reptiel in gevaar komen door niet te kweken.
Bij vrouwtjes kunnen er allerhande problemen optreden zoals, legnood door onbevruchte eieren, calciumopslag, etc.
Bij mannen zijn problemen vaak niet direct zichtbaar. Mannetjes kunnen vooral erg gestresseerd raken door niet te kunnen paren.
Let op dat een teveel aan paren en kweken evengoed voor gezondheidsproblemen kan zorgen.
Deze problemen zijn dus makkelijk te vermijden door je reptielen in zekere mate te laten paren en kweken. Hierbij komt wel de factor of je eventuele eieren ook effectief moet uitbroeden. Als geen van de andere redenen voor jou van toepassing zijn, kan je gewoon beslissen de eieren niet uit te broeden.
- Instandhouding van de populatie in gevangenschap:
Het kweken voor de instandhouding van jou soort reptielen kan nuttig zijn, maar is het niet altijd. Als je reptielen gaat kweken die populair zijn en waar veel aanbod van is, moet je jezelf maar even de vraag stellen of het wel nuttig is en of je jouw nakweek wel kwijtraakt.
Aan de andere kant kan je ook bepaalde populaties in stand houden. Niet alleen per soort, maar ook vaak per lokaliteit binnen een soort. Er zijn veel reptielsoorten in het wild die over een groot gebied zijn uitgestrekt. Hierdoor komt men soms lokaliteitverschillen tegen die binnen de hobby vaak graag gezien worden. Houdt hierbij wel rekening dat de zuiverheid van groot belang is.
- Inperking van wildvang import:
Kweken van reptielen kan belangrijk zijn om de in natuur levende reptielen in stand te houden. Dit gebeurt niet door het uitzetten van in gevangenschap gekweekte dieren. In meeste gevallen is herintreding zelfs geen optie, daar bloedlijnen en genetische eigenschappen erg belangrijk zijn voor wilde dieren.
Onrechtstreeks kan er wel voor minder wildvang gezorgd worden. Door het in stand houden van gezonde nakweek en aanbod op de markt worden wildvangdieren minder interessant.
Jammer genoeg, in vele gevallen, is het importeren van wildvang goedkoper voor handelaars dan het aankopen van nakweek.
- Geld:
Eén van de grootste factoren bij het kweken van reptielen. Echter moet ik hierin al snel teleurstellen. In de meeste gevallen geeft het kweken geen winst, maar juist verlies. Hobbyisten gaan vaak enkel uit van de verkoopprijs, daartegenover staan echter de kosten van onderhoud, uitbroeden, voeding en elektriciteit. De kosten lopen vaak veel hoger op dan gedacht wordt. Hoe langer de nakweek in het bezit blijft, hoe hoger de kosten oplopen.
Enkel in gevallen van heel dure reptielen kan er winst worden gemaakt. Denk er dan wel bij dat deze reptielen duur zijn voor een reden.
Dieren die met regelmaat aangeboden worden en waar veel vraag naar is, kan ervoor zorgen dat je de kosten van je hobby kan terugvorderen.
- Deel van de hobby en eer:
Hier gaat het echt om een reden. Kweken kan een deel zijn van de hobby voor hobbyisten, ga er dan echter wel verantwoordelijk mee om. Wat nu juist verantwoordelijk is, is nogal wat discussie rond. Daar kom ik later nog op terug.
- Vraag en aanbod:
De markt speelt een belangrijke factor bij het kweken. Als er vraag is, moet er ook een aanbod komen. En tegengesteld, als er geen vraag is, moet je voor geen aanbod zorgen.


Deze factoren in acht houdende, is het voor jou of voor jouw reptielen nog altijd nodig om te kweken?

 

Hoe zorg ik ervoor dat mijn reptielen kweken?

Wil je met reptielen kweken, zal je ervoor moeten zorgen dat ze tot paren overgaan. Vaak zal je bepaalde soorten moeten stimuleren hiervoor.
Hieronder enkele nuttige aanwijzingen.


- Man & vrouw:
Heb je één van deze twee niet tot beschikking, dan mag je het kweken wel vergeten. Dit wil niet zeggen dat je ze beiden in bezit moet hebben. Heb je bijvoorbeeld enkel een man of een vrouw, maar je wilt geen ander reptiel aanschaffen, dan zijn er altijd nog andere opties. Zo kan je werken met uitwisseling. Een kennis of mede hobbyist kan je het andere geslacht uitlenen als vriendendienst of voor een vergoeding. Een vergoeding kan bestaan uit een geldsom of bijvoorbeeld een percentage van de eieren of jongen, dit wordt onderling beslist.
- Een paarbereid koppel:
Een man en een vrouw is één ding. Dit wil nog niet zeggen dat ze bereidt zijn met elkaar te paren. Dit is vaak afhankelijk van de soort. Zo zijn er meerdere soorten bekend die in gevangenschap kweekkoppels vormen en vaak niet bereid zijn om met een andere man of vrouw te paren. De meesten zijn echter niet zo en zullen met andere soortgenoten van het andere geslacht paren. Zo zijn als het ware verkrachtingen vrij voorkomend binnen de reptielen klasse.
- Paringsritueel:
Vele reptielensoorten hebben een paringsritueel. Dit kan gaan van een niet opvallend achtervolgen tot het tonen van kleurenpracht, krachtmetingen en bewegingstaal.
In het algemeen kan er gezegd worden dat de man altijd het initiatief neemt. Zijn doel is om zijn genen zoveel mogelijk door te geven aan volgende generaties.
Je kunt zeggen dat er twee vormen zijn van rituelen. Het duel en het paringsritueel.
Het duel is een confrontatie tussen twee of meerdere mannen voor een vrouw of territorium.
Er zijn soorten die elkaar niet beschadigen doordat ze de tegenstander gaan imponeren of krachtmetingen gaan uitvoeren. Anderen zullen elk middel mogelijk nemen om te winnen, verwonden en zelfs doden.
Het tweede ritueel is het paringsritueel. Hierin probeert de man alles om het paarbereide vrouwtje te imponeren. Vaak gaat het hier om een uiting van kracht, volharding en kleuren. Een vrouw die overtuigt is van sterke genen bij een man, zal zich onderwerpen. Eentje die niet overtuigt is zal of de man verjagen of zelf rennen. Een optie die een vrouw in gevangenschap meestal niet heeft, met een verkrachting als gevolg.
- Winterslaap/zomerslaap:
Men spreekt over een winterslaap bij dieren die koude seizoenen overleven door inactief door deze periode heen te gaan.
Een zomerslaap is het tegenovergestelde. Hierbij zorgen hoge zomertemperaturen en droogte voor een inactieve periode.
Sommige reptielen moeten voor een paring of kweekbereidheid in een winterslaap of zomerslaap gaan. Zo hebben bepaalde soorten dit nodig voor goed zaad of voor de eiaanmaak te stimuleren.
Doe geen reptielsoorten in winterslaap of zomerslaap die dit in het wild ook niet doen.
- Winterrust/zomerrust:
Idem winterslaap/zomerslaap.
Deze duurt vaak minder lang en de dieren gaan niet in een lange slaap. Ze gaan eerder minder actief door een periode waarin ze veel stilliggen en amper tot niet eten.
Ook hier geldt, doe geen reptielsoorten in winterrust of zomerrust indien ze dit in het wild ook niet doen.
- Vasten:
Sommige reptielen worden gestimuleerd om tot paren over te gaan door voor enige tijd niet of amper te eten. In het wild gebeurt dit door noodzaak. Bijvoorbeeld als er een schaarste is aan voedsel door lange droogte.
Eens er terug voedsel in aanbieding is, kunnen bepaalde reptielen overgaan tot paring. Dit gaat vaak samen met regenseizoenen.
- Regenseizoen:
Hoewel hier meer aan amfibieën wordt gedacht, kan dit ook voor bepaalde reptielen tellen. Door nabootsing van regen en verschillen in temperaturen kunnen reptielen overgaan tot paren. Gaat vaak gepaard met voedselovervloed.

Eén en vaak meerdere van deze bovengaande punten hebben een grote invloed op de kweek bij reptielen. Meestal hebben ze onrechtstreeks of rechtstreeks te maken met verschillen in temperatuur, lichtduur en vochtigheid.

 

Van paring tot jong.

Om van paring tot jong te gaan, komen er nog enkele belangrijke stappen tussenin. Hier zal ik zo kundig mogelijk deze stappen verduidelijken.


- Paring:
Per soort kan een paring heel verschillend zijn. Er kan pronkgedrag aan te pas komen of een balts of op het zicht helemaal niets. Onderbreek deze rituelen nooit, ook niet als ze agressief overkomen, het is eigen aan het dier.
Eens de echtelijke paring begint zal de man zijn penis (bij slangen en hagedissen hemipenissen) in de cloaca duwen van het vrouwtje. Ook hier is het afhankelijk van de soort hoelang deze paring duurt en hoe vaak. Zo zijn er die eenmaal paren en anderen kunnen tot weken lang om de zoveel dagen gaan paren.
In gevangenschap kan men zich best beperken tot een drietal paringen in een korte termijn voor een vrouw. Bij mannen die dit wensen, of de mogelijkheid hebben, kunnen meerdere paringen over meerdere vrouwen worden toegepast. Zorg hierbij wel dat de man goed op gewicht blijft en eet.
- De zwangerschap:
Eens de paring voorbij is, begint de ontwikkeling van het ei of jong. Dit wil ook zeggen dat de man verder niet meer nodig is. Indien hij zich kalm en onverschillig gedraagt en niet meer overgaat tot paringspogingen, kan hij in dezelfde huisvesting blijven. Als de man te druk blijft, kan men best de vrouw apart gaan plaatsen (bijvoorbeeld quarantaine vivarium). Soorten die sowieso elkaars gezelschap niet kunnen verdragen moeten direct na een paring uiteengehaald worden.
Tijdens de zwangerschap zal de vrouw zich vooral bezighouden met eten, zonnen en baden. Het is dus belangrijk een goede en gemakkelijk toegankelijke baskingspot te plaatsen en te zorgen voor voedzaam en Calciumrijk voedsel.
Naar het einde van de zwangerschap toe, zullen eileggende soorten ook gaan graven en onrustig zoeken naar een goede eilegplek. Zorg dan ook dat deze eilegplek tot beschikking is, liefst van bij het begin. Een te late of geen eilegplek kan legnood als gevolg krijgen met de dood erop volgend.
- De bevalling of eileg:
De bevalling of eileg kondigt zich vaak aan door zoals al gezegd zenuwachtig gedrag, graven, verdikkingen in de buik, stoppen met eten of een vervelling.
Bij een bevalling spreekt men over ovovivipaar (eilevendbarend) of vivipaar (levendbarend). De jongen komen hierbij volledig ontwikkeld in het leven. De moeder is dan geen bedreiging voor de jongen en in sommige gevallen zal ze haar jongen voor enige tijd beschermen.
Soorten die ovipaar of eileggend zijn leggen lederachtige eieren die bij sommige soorten uitharden. Deze dieren hebben dus nood aan een legplaats, deze kan bestaan uit zand, aarde en dergelijke, zolang het maar een bepaalde vochtigheid, warmte, graafbaarheid en diepte heeft. Zet bij voorkeur geen twee of meerdere zwangere vrouwen bij elkaar, deze kunnen gaan concurreren voor eilegplekken wat legnood kan veroorzaken. In het ei ontwikkelt er zich een embryo tot jong over een bepaalde incubatieperiode.
Probeer bij zowel bevallingen als eileg de dieren niet te storen. Ga hoogstens af en toe even een kijkje nemen van enige afstand. Wacht ook altijd lang genoeg vooraleer de eieren weg te nemen. Laat de vrouw eerst het nest toemaken en verlaten. Indien je de eieren vroeger uit het nest haalt, kunnen vrouwen heel zenuwachtig en zwaar gestrest raken.
Eieren kunnen in het begin wat kleine deuken hebben of ingevallen zijn. Dit is geen directe reden tot paniek. Eens ze in een optimale omgeving komen zullen ze weer komen bol te staan door onder andere vocht op te zuigen.
- Broedzorg:
Hoewel meeste reptielen geen echte broedzorg hebben, zijn er vaak wel aanwijzingen van waakzame vrouwen.
Zo heb je veel soorten die hun nest enige dagen tot weken bewaken zodat geen andere vrouwtjes of eirovers de eieren gaan openleggen of beschadigen. Let er daarbij op, bij het weghalen van de eieren dat je het nest terug dichtmaakt in de oorspronkelijke vorm. Zodat de vrouw denkt dat de eieren nog in het nest zitten.
De enkele soorten die wel aan broedzorg doen, kunnen en mogen dit ook in gevangenschap. Nog sterker, ik ben een voorstander van het moederinstinct in gevangenschap te behouden. Krokodillen en pythons zijn de bekendste reptielen met broedzorg.
- Incubatie van de eieren:
Eens de vrouw volledig klaar is met het nest, kunnen de eieren worden weggehaald om uit te broeden. Zorg ervoor dat je de eieren niet draait. Reptieleneieren hebben namelijk geen hagelsnoer zoals vogels die ervoor zorgen dat de kiemschijf bovenaan blijft liggen. Indien u de eieren wel draait zorgt dit onherroepelijk voor beschadiging en afsterven van het embryo. Het kan daarom handig zijn om vooraleer de eieren te verplaatsen, eerst de bovenkant te markeren.
Eens de eieren zijn weggehaald uit het nest moeten ze op de meest optimaal mogelijke methode worden uitgebroed. Dit gebeurt in een broedmachine. Er zijn veel verschillende soorten, zoals oude couveuses, au bain marie of een zelfbouwbroedmachine (bijvoorbeeld omgebouwde koelkast). Zorg dat deze klaarstaat en draait vooraleer de eieren er in komen.
Uiteraard worden de eieren niet gewoon in de broedmachine gelegd, ze worden in of op een substraat gelegd. Bekende en vaak gebruikte substraten zijn perliet, vermiculiet, zand, veenmos, turf, etc. Deze worden bevochtigd in mate van het nodige.
Zorg voor een constante temperatuur, deze kan verschillen per soort. Voor meeste soorten ligt deze tussen 25° en 32° Celsius. Ga zeker geen hogere temperaturen gaan toepassen om snellere uitbroeding te krijgen. Deze jongen zijn vaak veel kleiner en misvormd.
Een correcte luchtvochtigheid, meestal tussen de 70% en 100%. En een goede luchtcirculatie om schimmels tegen te gaan.
Vermijdt dat waterdruppels op de eieren vallen, hierdoor kunnen ze teveel vocht gaan opnemen. Een oplossing kan zijn om een schuin plafond te installeren zodat de druppels langs de zijkant vallen.
Eieren die aan elkaar plakken, mogen niet uit elkaar worden getrokken, leg ze gewoon in oorspronkelijke staat in de broedmachine.
Verwijder slechte en rottende eieren zodat ze geen gezonde eieren gaan besmetten. Slechte eieren die aan een goed ei hangen, kan men leegzuigen en gedeeltelijk wegsnijden. Snij in geen geval teveel weg, anders is het gezonde ei ook verloren.
Een algemeen besluit bij de incubatieperiode is dat men de eieren zoveel mogelijk met rust laat. Eens per week een check is meer dan voldoende, bij datum van uitkomen kan er dagelijks gekeken worden.
- Het uit het ei komen:
Misschien wel het meest spannende moment van allemaal. Het uitkomen van eieren kan zich uiten door enkele uren ervoor in te vallen.
De jongen scheuren of snijden een stukje van het ei open met hun eitand.
Vanaf dit moment kan de geboorte enige tijd op zich laten wachten. Het is geen uitzondering dat reptielen 24 uur tot 2 weken in het ei blijven zitten met enkel hun neus of hoofd eruit. Dit is geen reden tot paniek en ga in geen geval de jonge diertjes helpen. In deze tijd zijn de jongen nog bezig hun eidooier op te nemen.
Vanaf dit punt zullen de jongen zelf bepalen wanneer het tijd is om uit het ei te kruipen. Eens uit het ei, laat je de jongen nog één of twee dagen in de broedmachine om te wennen aan hun nieuwe omgeving.
Je zult ook te maken krijgen met eieren waar geen leven uit tevoorschijn komt op het einde van de incubatieperiode. Hiervoor zijn allerhande manieren gekend, zelf een snede maken of het ei openen om een jong op de wereld te krijgen. De vraag is dan waarom? Waarom een dier helpen, die zelf niet de kracht vindt om te leven.
Mijn mening over dit onderwerp is simpel. Dieren die zelf niet uit het ei komen, hebben hun keuze al gemaakt. Als je ze alsnog helpt, kan dit enkel problemen geven in de toekomst.
- Opfok:
Jonge reptielen zijn kopieën van de volwassen dieren, maar dan alleen kleiner. Dit wil dan ook zeggen dat hun behoeftes quasi hetzelfde zijn.
Ze hebben voeding van kleinere formaten nodig. Bepaalde soorten beginnen pas te eten na een eerste vervelling. Geef nooit meer voedsel dan ze op kunnen en geef liever wat minder op regelmatige basis dan enkele malen veel.
Grotere behoefte aan vocht. Zelfs in droge gebieden worden de meeste reptielen geboren in een vochtiger seizoen. Vele soorten drinken dan ook niet uit een schaal, maar prefereren een dagelijkse sproeibeurt met lauw water.
Daar het dieren in groei zijn hebben ze hogere nood aan bepaalde stoffen zoals Calcium. Zorg dus dat bij alle voeding voldoende supplementen worden toegevoegd.
- Het eerste legsel:
Als een vrouw voor de eerste maal een legsel heeft, zal het in de meeste gevallen bij de incubatie mislukken. Dit heeft niets temaken met de kennis of kunde van de hobbyist. Het is gewoon een feit dat het eerste legsel niet bevrucht raakt.
Uiteraard kan je nog altijd proberen de eieren uit te broeden, echter de hoop op positieve uitkomst kan je best laag houden.

 

Verantwoord kweken met reptielen.

Reptielen zijn geen productiegoederen. Het zijn dieren en deze moeten met respect en liefdevol verzorgd worden. Dit wil zeggen dat bij het kweken, in eerste instantie moet worden gedacht aan het dier en niet de opbrengst.


- Beperk het aantal legsels:
Het is niet omdat je vrouw een vier of vijftal legsels per jaar kan voortbrengen, dat het ook gezond is. Beperk daarom het aantal legsels op een jaar tot bij voorkeur één tot maximaal twee.
Dit is soms wel makkelijker gezegd dan gedaan. Meerdere reptielensoorten hebben namelijk vrouwen die het mannelijk zaad kunnen opslaan en zo tot drie en zelfs meer legsels uit één paring kunnen halen. Bij deze soorten is het dus belangrijk dat je de dieren in het voorjaar laat paren en er nadien op toekijkt dat ze later op het jaar niet terug gaan paren. Zo krijgt de vrouw een goede recuperatieperiode.
- Kweek met gezonde dieren:
Zet geen zieke of misvormde dieren in voor kweek. Te mager, te vet, te klein, wonden, infecties, misvorming, etc. Bij dit soort aandoeningen is de kans op problemen bij jongen als de kweekdieren zelf groot.
Het is dus belangrijk om de wetten van de natuur door te trekken naar de huiskamer. Alleen de sterkste krijgen het recht op paren, zo blijft het beste genetische materiaal altijd in stand.
Hoewel het velen zullen oneens zijn, vind ik ook dat te kleine volgroeide dieren, dus onder de gemiddelde grootte, niet moeten gaan kweken. Kleiner wordende dieren heeft altijd een oorzaak. Dit kan gaan van verkeerde zorg tot overmatige inteelt. Mijn advies hierin is dan ook simpel, zet die lijn van verkeerde kweek niet verder.
- Inteelt:
Bij het verantwoord kweken bij eender welk dier is inteelt een zwaar doorwegende factor. Het spijtige hieraan is dat er amper rekening wordt gehouden met de genetische waarden van reptielen en andere dieren. Dit omdat geld nogmaals belangrijker lijkt dan dierenwelzijn.
Inteelt houdt in dat binnen een soort gekweekt wordt tussen nauw aan elkaar verwante individuen (Vader, moeder, broer, zus, etc.). Vaak gebeurt dit om bepaalde eigenschappen dominant te maken. Maar bij een gewone hobbyist gebeurt het meer door onkunde, nieuwsgierigheid, hebzucht en geld.
Om als voorbeeld te geven, je hoort geregeld dat doorkweken met bepaalde soorten kan tot de 5de generatie zonder problemen te ondervinden. Dit is echter de reinste onzin en is helemaal nergens op gebaseerd.
De realiteit is dat we in de genetica of erfelijkheidsleer nog niet voldoende ver staan om te kunnen zeggen wat wel en niet kan en wat de gevolgen zijn van inteelt. Er zijn echter wel al genoeg theoretische en praktijkgerichte bewijzen dat inteelt bij levende wezens meer nadelen meebrengt dan voordelen.
Een diersoort waar de diversiteit van de genenpoel tot haast nihil is geleid door inteelt, is gedoemd om uiteindelijk uit te sterven.
Stel jezelf dus de volgende vraag vooraleer je aan inteelt begint: “Help ik een diersoort uitsterven of help ik het in zijn voortbestaan?”.
- Lijnteelt:
Het is een meer verantwoorde vorm van inteelt. Hierbij gebruikt men ook aan elkaar verwante individuen, maar niet zo nauw als bij de meer gekende inteelt (Neef, nicht, overgrootvader, achterneef, etc.).
De redenen van lijnteelt zijn quasi hetzelfde als die van inteelt, echter wordt lijnteelt meer gebruikt bij meer ervaren hobbyisten die meer verantwoordelijk willen kweken met reptielen. Daarbij wordt bij lijnteelt meer gekweekt op eigenschappen die op voorrand vastliggen. Waar bij andere inteelt vaak op goed geluk nieuwe eigenschappen worden ontdekt.
Zonder regelmatig gebruik te maken van nieuw bloed is lijnteelt even gevaarlijk te gebruiken als eender welke andere vorm van inteelt. Voeg dus zoveel mogelijk nieuw bloed toe aan de lijn zonder de te behalen eigenschap te verliezen.
De verantwoorde manier van lijnteelt zorgt er ook voor dat de te behalen eigenschappen pas na vele generaties op punt staan. Hierbij spreken we van 5 tot 50 jaar vooraleer het te bekomen resultaat is behaald.
- Wildvorm en mutaties:
Een wildvorm van een reptiel is zoals de naam het zegt, de natuurlijke vorm van het dier, dus zoals het voorkomt in de natuur. Er wordt vaak het woord wildkleur gebruikt, dit verwijst dan naar de oorspronkelijke kleur en tekening van een soort.
Het is echter niet zo dat er altijd maar één enkele wildvorm voorkomt per soort. Soorten met een groot verspreidingsgebied krijgen vaak bepaalde lokaliteitkenmerken. Dit kan gaan van een verschil in kleur, tekening en soms zelfs verschil in grootte. Hoogstwaarschijnlijk hebben deze lokaliteitvormen te maken met een aanpassing van het dier aan zijn omgeving. Bijvoorbeeld voor een betere camouflage en overlevingskans. Deze kenmerken kunnen zo groot zijn dat er beslist wordt de soort in ondersoorten te verdelen. Is dit niet het geval spreekt men van een lokaliteitvorm die vaak wordt aangeduid met de plaats achter de wetenschappelijke naam. Bijvoorbeeld Furcifer pardalis ‘Nosy Mitsio’, is een panterkameleon met een kleurlijn afkomstig van het eiland Mitsio.
Mutaties kunnen ingedeeld worden in twee belangrijke verschillen. Natuurlijke mutatie en menselijke mutatie.
Bij natuurlijke mutatie, die gebeurd in het wild, ontstaat er een langzaam proces die zorgt voor verandering in de genen van levende organismen. Ook wel evolutie genoemd en dus enkel tot stand komt als het diersoort dit nodig heeft om te overleven.
Menselijke mutaties zijn door de mens gecreëerde afwijkingen die in het leven zijn gebracht puur voor het plezier van de hobbyist, vaak zonder te denken aan de gevolgen. Deze mutaties zijn voornamelijk het resultaat van inteelt zonder natuurlijke selectie. Waardoor niet alleen de leuke eigenschappen worden overgebracht van ouder op jong, maar ook genetisch erfelijke aandoeningen. Zo worden er steeds vaker problemen opgemerkt bij reptielen waar veel mutatiekweek bij gebeurd, gaande van slecht vervellen tot gevoelig aan licht en zelfs stoornissen als ongecontroleerd koptrillen en rondjes draaien.
Meest voorkomende gekweekte eigenschappen zijn verschillen in kleuren, albinisme, tekening tot het ontbreken van schubben. Het is echter niet mogelijk om bijvoorbeeld eigenschappen die niet in de wildvorm voorkomen, te gaan muteren. Een blauwe baardagame als voorbeeld is dus niet mogelijk. Er kunnen dus enkel eigenschappen weggehaald worden om andere te laten domineren.
Er zijn echter zoveel verschillende soorten reptielen met een rijke variatie aan vorm, kleur, tekening, etc. Waarom moet er dan toch nog voor god gespeeld worden?
Jammer genoeg zal geld en vraag altijd een grote factor spelen in mutatiekweek. Mijn advies is dan ook tweemaal na te denken vooraleer je een mutatie in huis haalt of mee gaat kweken. Ik ga het niemand afraden, mensen hebben nu eenmaal de verschrikkelijke gave hun zin toch door te drijven. Echter zal ik zeker nooit iemand aanraden te beginnen met mutaties.
- Selectie:
Wil je verantwoord kweken, dan ga je selecties moeten maken bij je jongen. Zet je eisen voor verkoop en verdere kweek hoog. Perfecte bouw, lengte, gewicht, etc. Wees hierin correct, jongen waar je van twijfelt niet verkopen of verder mee kweken. Deze afgekeurde dieren kan je of zelf houden (niet mee kweken), opvoeren of euthanaseren. Dat komt voor velen als een grote schok om dit te doen, echter is het een pure nabootsing van de natuur. Daar overleven ook enkel de sterkste.

 

Maak een stamboek en administratie aan.

Een stamboom is een overzicht van familiale gegevens van een dier, dus wie de voorouders zijn. In een stamboek wordt deze lijst met gegevens weergegeven, meestal in een diagram of boomstructuur.
Deze stamboeken zijn belangrijk voor bloedlijnen bij te houden, wanneer nieuw bloed is toegevoegd, inteelt te voorkomen en erfelijke eigenschappen bij te houden. Zo kan er bepaald worden of dieren homozygoot of heterozygoot zijn voor een bepaalde eigenschap. Dit kan belangrijk zijn voor mutaties of het vermijden van erfelijke aandoeningen.
In hoeverre je een stamboek bijhoudt, ligt geheel aan jezelf. Mijn advies is om dit toch zo uitgebreid en gedetailleerd mogelijk bij te houden. Hoe meer informatie je bijhoudt, des te meer kennis je vergaart.
Een stamboek kan je samen met je overige administratie bijhouden.

 
- Overdrachtsverklaring:
Is een document met als doel de herkomst van een bepaald dier vast te leggen. Dit is nodig om zich in regel te stellen met de huidige wetgeving. Alsook is een overdrachtsverklaring nodig bij het aanvragen van CITES indien dit nodig is voor de soort. Dit document dient steeds in tweevoud opgesteld te worden, waarvan één kopie bestemd is voor de verkoper en de andere voor de koper.
Op een overdrachtsverklaring moeten de volgende zaken zeker op vermeld staan. Naam koper, naam verkoper, wetenschappelijke naam dier, nakweek/wildvang, geslacht (indien gekend), aantal dieren, handtekening koper, handtekening verkoper.
Eventuele andere zaken die kunnen vermeld worden. Adres koper/verkoper, telefoon koper/verkoper, emailadres koper/verkoper, Nederlandstalige naam dier, kenmerken dier (bijvoorbeeld wildkleur, bloedlijn, mutatievorm), geboortedatum dier, herkomst dier, invoer/CITES nummer (indien het een CITES soort is).
Zorg dus dat zowel bij aankoop als verkoop er een overdrachtsverklaring wordt opgemaakt. Indien u alsnog geen overdrachtsverklaring geeft of aanneemt kan dit later problemen geven bij controle alsook bij reptielensoorten die steeds van CITES klasse veranderen.
- CITES:
Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora.
CITES is dus een internationale organisatie die toekijkt op de bescherming van bedreigde dieren en planten.
Voor meer informatie over het hoe en wat kan u best op de officiële site kijken. www.cites.org 
- Dierenadministratie:
Houdt steeds een goede administratie bij van welke dieren je hebt en hoeveel. Dit is vooral nodig bij de meer intense hobbyist die veel dieren in bezit heeft. Houdt bijvoorbeeld bij welke dieren in welke vivaria zitten. Bij een controle kan je dan gemakkelijk de nodige papieren tonen aan de bevoegdheden.
- Nakweekadministratie:
Het is belangrijk om een administratie bij te houden van nakweek. Dit kan gaan van eieren in een broedkast met de datum van leg en de uitgerekende datum van uitkomst. Tot het bijhouden van jongen, waarbij de datum van uitkomst belangrijk is alsook of de jongen zelf worden gehouden of dienen voor verkoop.

 

Zie ook het vervolg: "Deel V: HanterenDeel V: Hanteren"

Deel III: Voeding

 

Wat eet mijn reptiel?

Naast een zo ideaal mogelijke huisvesting is voeding een tweede noodzaak tot een zo gezond mogelijk reptiel. Zoals al eerder vermeld, zijn reptielen geen gedomesticeerde dieren en hebben dus nood aan natuurlijke voeding.
Welke voeding jouw dier nu juist nodig heeft, ligt geheel aan het soort dier. Je kan alvast 3 grote onderscheiden maken.
- De herbivoor: 
Afgeleid van het Latijn herba= plant; vorus= eter. Dus een planteneter.
Het begrip herbivoor wordt gebruikt voor dieren die planten, of delen van planten zoals bladeren, wortels, zaden, vruchten, bloemen, nectar, schors, hout, of plantensappen consumeren.
Dit houdt in dat als het dier 95% of meer plantaardig voedsel op het menu heeft, het een planteneter is. Indien deze dus meer dan 5% dierlijk voedsel eet, is het geen herbivoor.
- De carnivoor: 
Afgeleid van het Latijn carnis= vlees; vorus= eter. Dus een vleeseter.
Het begrip carnivoor wordt gebruikt voor dieren die dierlijk voedsel eten alsook voor vleesetende planten. Ook aaseters, viseters, eier-eters, bloed eters en insecteneters zijn carnivoren.
Dit houdt in dat als het dier 95% of meer dierlijk voedsel op het menu heeft, het een vleeseter is. Indien deze dus meer dan 5% plantaardig voedsel eet, is het geen carnivoor.
- De omnivoor: 
Afgeleid van het Latijn omnis= elk, ieder; vorus= eter. Dus een alleseter.
Het begrip omnivoor wordt gebruikt voor dieren die zowel plantaardig als dierlijk voer eten.
Dit houdt in dat als een carnivoor minstens 5% plantaardig voedsel eet of een herbivoor die minstens 5% dierlijk voedsel eet een omnivoor is.

Dus afhankelijk van welke categorie jouw dier is, zal je de voeding daarnaar moeten aanpassen.
Voor al die categorieën is het belangrijk een gezond evenwicht aan voedsel voor te schotelen. Denk daarbij aan bijvoorbeeld omnivoren die in het wild veel meer dierlijk eten dan plantaardig of omgekeerd. Ook gaan bepaalde reptielensoorten hun voedingsgewoontes aanpassen aan hun leeftijd of seizoenen. Bepaalde soorten eten tijdens hun onvolwassen leven meer dierlijk voedsel en gaan pas op volwassen leeftijd over op meer plantaardig. Dit moet ook in gevangenschap zogoed mogelijk nagebootst worden.

 

Wat kan ik mijn reptiel allemaal voeren?

Het is zoals al eerder aangegeven afhankelijk van het soort reptiel die je hebt.
Elk reptiel heeft wel minstens één ding gemeenschappelijk. Ze hebben vers voer nodig. Daarmee bedoel ik niet dat voer uit de diepvriezer geen optie is, maar dat reptielen geen kant en klare maaltijden eten. Let op, je zult in gespecialiseerde handelszaken wel kant en klare brokjes of vlokjes vinden voor reptielen, echter zijn deze arm aan voedingsstoffen, er zitten slechte stoffen in en zijn nooit helemaal gericht op één enkele soort. Dit gaat van het ons allen bekende waterschildpaddenvoer tot voer voor bijvoorbeeld groene leguanen. Ook zaken als kattenvoeding is niet geschikt, dit wordt namelijk wel eens aangeraden door derden, zelfs reptielenartsen. Maar waarom daar heeft iedereen het raden naar, het is alvast niet het meest gezonde voer voor reptielen.
Geen enkele van deze maaltijden zijn dus geschikt, in vele gevallen eten de dieren er ook helemaal niet van. Dit is pure commercialisatie in het nadeel van jou reptiel. Geef er dus geen geld aan.
Wat geef je dan wel aan je reptiel. Voeding in zijn puurste vorm. Een blad, een vrucht, een bloem, een krekel, een worm, een muis, etc.
Meestal zal je te lezen krijgen wat de Calcium (Ca) en Fosfor (P) verhoudingen zijn. Deze is zeer belangrijk. Ideaal is dat voor 1,5 aanwezig Calcium er 1 aanwezige Fosfor is, een Ca:P van 1,5:1. Dit is niet aanwezig in alle voeding, daarvoor wordt er vaak extra Calcium aan toegevoegd. Meer hierover later.
Hieronder zal ik een lijst weerleggen van voeding die geschikt is voor jou dier. Hierbij geef ik zoveel mogelijk van mijn kennis met betrekking tot reptielen, echter ben ik niet alwetend dus verder onderzoek is altijd aangeraden.

 

 

Plantaardige voeding:
Hier kan men tal van onderscheiden aankaarten. Daar mijn kennis in de plantaardige voeding beperkt is, is het aangeraden hier verdere tabellen (bijvoorbeeld voedingstabel van groene leguaan) te zoeken met betrekking tot voedingswaarden en stoffen.
Vele planten zijn geschikt, anderen zijn helemaal niet geschikt (giftig) en nog anderen zijn niet geschikt voor veelvuldig gebruik. Ook heb je planten die wel giftig zijn, maar waar dieren in het wild wel van eten, de giftige stoffen breken ze dan af door enzymen, vaak afkomstig van andere planten. Pas dus op met giftige planten te voeren die ze in het wild ook wel eens eten.
Was alle plantendelen goed, ook als ze gewoon uit de tuin komen. Verwijder niet eetbare delen en snij alles in kleinere stukken.
Ga niet één bepaalde soort of enkele soorten voeren, geef je dier zoveel mogelijk variatie, vooral in de zomer wanneer er zeer veel aanbod is.
Meng alles goed onder elkaar zodat ze niet enkel hun favoriete voeding eten. Voer bij voorkeur uit een verankerde schaal of kom die stevig op de ondergrond staat. Zo vermijd je dat de dieren per ongeluk van het substraat gaan eten.
- Groenten:
Meest voor de hand liggend voedsel voor herbivoren. Kan je zelf telen in de moestuin of kopen in de winkel.
Deze moeten altijd gevoerd worden met toegevoegde mineralen supplementen.
Enkele heel gezonde groenten zijn andijvie, boerenkool, chinese kool, paardenbloemblad, paksoi en witloof.
Groenten die je maar sporadisch mag geven zijn rabarber, spinazie, peterselie, postelein, tomaat en wortelen.
Uiteraard zijn er nog vele andere beschikbare groenten. Wat niet goed is voor het ene reptiel, kan wel goed zijn voor het andere. Lees je dus goed in over jouw soort.
- Vruchten:
Een nog voor de hand liggende vorm van plantaardig voedsel. Let hiermee echter goed op. Voor vele herbivoren (bijvoorbeeld landschildpadden) zijn vruchten geen geschikt voer, althans niet bij regelmaat. Echter voor vele carnivoren en omnivoren zijn enkele stukjes fruit of vruchten een aangename toevoeging.
Geef dit soort voer dus enkel met regelmaat en wissel zoveel mogelijk af.
Deze moeten altijd gevoerd worden met toegevoegde mineralen supplementen.
Geschikte en veel gegeten vruchten zijn aardbei, appel, banaan, druif (vooral blauwe), mandarijn, passievrucht, peer en perzik.
Vruchten die best vermeden worden zijn avocado, erwten, kiwi (kan af en toe) en tuinbonen.
- Kiemplanten:
Een niet voor de hand liggende voeding. Deze is echter heel gezond en wordt door vele dieren in het wild gegeten. Mijn kennis in dit onderwerp is zeer beperkt, ik ga ervan uit dat bijvoorbeeld zaden die gebruikt worden voor vogels ook geschikt zijn voor herbivore reptielen.
- (On)kruiden:
In vele gevallen de meest gezonde voeding voor herbivoren. Ze worden enkel vergeten dat ze bestaan en daarbij ook nog eens heel voedzaam zijn.
Pluk deze planten enkel in gebieden waar geen pesticiden (industrieel of landbouw gebied) worden gebruikt of langs drukke autowegen. Ga ook niet hele planten gaan uittrekken, neem enkel wat je nodig hebt en laat het overige van de plant staan. Op deze manier kan je later naar diezelfde plant teruggaan om nog te oogsten.
Enkele bekende soorten zijn weegbree, klaver, melganzevoet, zwarte mosterd, netel, overblijvende ossetong, bermooievaarsbek, haag en akkerwinde, speenkruid, gewoon duizendblad, schijfkamille, margriet, vogelwikke, akkerhoornbloem, peen, canadese fijnstraal, vogelmuur, pastinaak, klein kruiskruid, fluitekruid en nog vele anderen.
Velen vind je zelfs gewoon in de tuin, kattestaart, oost indische kers, druivenblad, braam, hibiscus, viooltjes en nog vele meer.
- Bloemen:
Vele bloemen zijn eetbaar voor dieren. De regel hierbij is meestal, als de plant en/of vrucht eetbaar is, de bloem dat ook.
- Hooi/hooipellets:
Voor onder andere bepaalde landschildpadden die een hoog vezelgehalte nodig hebben, zijn toevoeging van hooi erg belangrijk.
- Nectar:
Hoewel het binnen de hobby niet of amper gebruikt wordt, kan het wel van toepassing zijn voor reptielen. Sommige vooral kleine hagedissensoorten voeden zich af en toe met nectar. Denk hierbij aan Phelsuma soorten.
Meestal worden er alternatieven aangeboden voor nectar in de vorm van papjes. Deze zijn meestal voldoende in de hobby, daar geen enkel in gevangenschap gehouden reptiel zich geheel voedt met nectar.

 

 

Dierlijk voedsel:
Ook hier zijn er tal van onderscheiden te maken. Bij reptielen komen vooral deze vormen voor, vleeseters, aaseters, viseters, eier-eters, en insecteneters.
Het is hierbij zeer belangrijk jouw dier het juiste dieet te geven. Dit wordt het best gedaan door te kijken wat het reptiel eet in de natuur. Zo geef je een woestijndier geen vis. Geef je kleine reptielen geen grote soorten prooi in stukjes gesneden. En zo ga je nog even door.
Geef je reptiel ook niet teveel voeding. Vaak is er in de natuur wel veel voedselaanbod, maar dit is minder rijk aan vetten. Ook bewegen dieren in het wild meer dan in een vivarium. Een reptiel kan je sneller overvoeren dan verhongeren. Let dus goed op hoeveel je voert en wat.
Gebruik geen te groot dierlijk voedsel. De kans op verstikking of schade bij jou dier is dan des te groter. Geef dus liever twee kleinere prooien dan één groot.
Dierlijk voer kan ook worden ingevroren. Zo kan je het voedsel langer behouden zonder dat het zijn voedingswaarde verliest. Steek in geen geval levend voedsel in de vriezer, een vriesdood is zeer pijnlijk en geen enkel dier hoeft dit mee te maken, ook geen die dient ter consumptie. Koop de voedseldieren dus ofwel al in bevroren toestand of geef ze een snelle dood.
Er wordt tal van dierlijk voedsel aangeboden. Deze worden allemaal aangeboden in gespecialiseerde reptielenzaken en steeds vaker zelfs in aquarium of algemene dierenwinkels. Jammer genoeg hoort er bij handel ook winst, wat dan weer leid tot mindere kwaliteit in de reptielenhobby. Door zo laag mogelijke uitgaven en zo groot mogelijke winst bekom je in meeste gevallen voedseldieren van een beperkte tot armzalige kwaliteit. Hiervoor zijn twee mogelijke oplossingen. Gutloaden of zelf kweken van voedseldieren.
Gutloaden is zeer belangrijk bij voedseldieren uit de handel afkomstig. Het houdt in wat het betekent, gut= ingewanden; loaden= vullen. Dus ingewanden vullen.
Afhankelijk van het soort voedseldier voer je het verschillende zaken. Hoe voedzamer hoe beter uiteraard.
Een andere optie is het zelf kweken van voedseldieren. Dan weet je hoe voedzaam de voedseldieren zijn en wat jouw dier binnen krijgt. In vele gevallen is het kweken van voedseldieren niet moeilijk, leerzaam, voordeliger en zelfs leuk.

Hieronder bekende en minder bekende gekweekte voedselsoorten.
Amfibieën:
Dit zijn voor veel reptielensoorten een goede bron van voeding. Waterschildpadden, krokodilachtige, waterminnende hagedissen en slangen. Deze zijn voor de hand liggende voorbeelden. Maar ook tropische reptielen hebben bereik tot amfibieën, denk maar aan boomkikkers in tropische wouden.
Dit wil niet zeggen dat je eender welk amfibie kan of mag voeren. Alle inheemse amfibieën zijn beschermd door de wet en mogen niet gevangen of gehouden worden, dus zeker niet gevoerd. Ook zijn sommige soorten erg toxisch waar je reptiel kan aan sterven, gebruik dus geen enkele amfibie in overmaat, tenzij jouw soort reptiel een amfibie-etend dier is.
Buiten de hier beschreven soorten zijn er nog andere mogelijkheden, aan jou om uit te zoeken welke nog geschikt kunnen zijn.
Lithobates catesbeianus / Brulkikker: 15-23 cm
Deze grote kikkersoort is bekend en berucht. Deze is namelijk in vele landen een ware plaag, ooit uitgezet om gewassen te beschermen van insecten. De brulkikker echter is een echte veelvraat en eet alles wat in zijn bek past, waaronder ook andere amfibieën, vissen, hagedissen en slangen. In het land van herkomst worden deze plagen ingetoomd op natuurlijke wijze, Waterschildpadden, alligators, grote watervogels en grote zoogdieren eten ze.
De kikkerdril, kikkervissen en kleine kikkers kunnen goed gevoerd worden. Volwassen kikkers zullen in meeste gevallen te groot zijn.
Rana pipiens / Luipaardkikker: 13-15 cm
Deze kikker wordt veel gebruikt in biologielessen.
Hier geldt dezelfde voermethode als de brulkikker, echter grote reptielensoorten kunnen ook de volwassen kikker aan.

Geleedpotigen:
Insecten:
Een bekende klasse binnen de reptielenhobby. Vele, al dan niet de meeste, hagedissensoorten in gevangenschap hebben dit voer op hun lijst. Maar ook insectenetende slangen, waterschildpadden en jonge krokodilachtige hebben dit soort voer nodig.
Binnen de hobby wordt er te weinig gevarieerd met insecten. Vaak moet een reptiel in gevangenschap leven op één of twee insectensoorten, meestal niet eens voedzame. Dit is allesbehalve gezond en je dier zal zo ook nooit een maximale levenstermijn hebben. Daarom dat hier niet enkel de bekende insectensoorten worden beschreven, maar ook minder bekende. Vaak zijn zo een aantal soorten te verkrijgen op aanvraag bij de speciaalzaak/leverancier of zijn ze zelf makkelijk te kweken.
Ga niet zomaar elk insect ter beschikking gaan voeren aan je reptiel. Heel veel insectensoorten zijn giftig of toxisch door het eten van bijvoorbeeld giftige planten. Ook heb je soorten waarvan bekend is dat ze kankerverwekkende stoffen bevatten. Anderen zijn niet geschikt omdat ze plaagvormend kunnen zijn in en rond jouw huis.
Bij alle gekochte insecten moet gebruik worden gemaakt van gutloaden en bepoederen met mineraal en vitamine supplementen.
Buiten de hier beschreven soorten zijn er nog andere mogelijkheden, aan jou om uit te zoeken welke nog geschikt kunnen zijn.
Acheta domesticus / Huiskrekel: 20-25 mm
Meest gekende en gebruikte voederdier. Dit maakt het echter niet het beste. Een gewone huiskrekel is niet echt voedzaam, al zeker niet degene in de handel. Het wordt veel gebruikt omdat het goed in de markt ligt en niet duur is.
De huiskrekel kan ook zelf gekweekt worden. Dit is in vele gevallen niet echt succesvol. Allerhande problemen kunnen opduiken in de kweek zoals schimmels en mijt en de kweek kan ook onaangenaam geuren. Ook ontsnappingen zorgen voor problemen. Hoewel de huiskrekel zich maar zeldzaam voortplant in huis, kan hij wel enige tijd overleven met alle lawaaihinder ten gevolge. In sommige gevallen kweekt deze krekel in het vivarium als de omstandigheden goed zijn.
Voer deze insecten dus enkel als afwisseling in plaats van als hoofdvoer.
Gryllus assimilis / Steppekrekel: 25-30 mm
Idem huiskrekel.
Hogere behoefte aan vocht. Hierdoor sterft deze sneller na ontsnapping. Ook tsjirpt deze veel minder.
Gryllus bimaculatus / Tweevlekkige veldkrekel: 25-30 mm
De meest voedzame van de krekels in handel. Dit maakt hem echter nog niet geschikt als hoofdvoer. Hij heeft enkele voordelen maar ook enkele grote nadelen. De voordelen zijn dat ze in huis niet lang overleven, ze zijn trager, springen minder en zijn best makkelijk te kweken.
Het nadeel echter is dat deze krekels heel hard en constant tsjirpen. En bij voedselgebrek agressief kunnen zijn ten opzichte van kleinere of zieke reptielen. Geef je dier dus nooit meer dan hij opkrijgt. In een kom met gladde wanden blijven de krekels ook zitten.
Niet te verwarren met onze inheemse veldkrekel.
Gryllodes sigillatus / Bandkrekel: 15-20 mm
Idem huiskrekel.
Komt maar weinig voor binnen de hobby.
Locusta migratoria / Treksprinkhaan: 50-60 mm
De bekendste sprinkhaan in de handel. Is echter niet de meest voedzame en heeft ook een slechte Ca:P verhouding. Dit wil niet zeggen dat hij niet mag gevoerd worden. Net als bij krekels, met regelmaat en niet als hoofdvoer.
Het voordeel aan deze sprinkhanen is dat ze geschikt zijn voor grotere reptielen. Ook zijn ze niet heel moeilijk voor je dieren om op te jagen, vaak gaan ze gewoon onder de spot gaan zitten tot ze opgegeten worden.
Hoewel ze geluid kunnen maken door hun achterpoten tegen elkaar te wrijven, doen ze dit niet vaak en niet luid. Is dus niets vergeleken met de krekel.
Interessant aan treksprinkhanen is dat ze een solitaire en een gregaire vorm, deze laatst migreert en vormt plagen in tropische landbouwgebieden. In de handel vinden we uitsluitend de gregaire vorm.
Ze zijn gemakkelijk te kweken in grote aantallen. Wegens de hoge nood aan warmte kan dit wel relatief prijzig zijn, dus kweken is enkel nuttig als je genoeg reptielen hebt die ze eten en/of als je ze aan mede hobbyisten kan verkopen. Als voer geef je ze gras of bamboe en droge zemelen, vermijd fruit.
Schistocerca gregaria / Woestijnsprinkhaan: 60-80 mm
Idem treksprinkhaan.
Blaberus craniifer / Doodskopkakkerlak: 50-60 mm
Bij het woord kakkerlak krijgen meeste mensen al rillingen. Deze gedachte is in vele gevallen ongegrond, kakkerlakken zijn heus niet zo vies, akelig en gevaarlijk als vaak wordt aangegeven.
De doodskopkakkerlak is uitermate geschikt als hoofdvoer door hun hogere Calcium waarde en vlezige lichaam, uiteraard moet er naast dit voer ook nog andere insecten gevoerd worden als afwisseling. Doordat deze dieren 6 nimfenfases doorgaan vooraleer ze hun volwassen vorm hebben, zijn ze ook geschikt voor kleinere reptielen, deze kunnen dan de nimfen gevoerd krijgen. Grotere reptielen kunnen de volwassen kakkerlakken eten.
De kweek van deze dieren is zeer gemakkelijk. De kans op ontsnapping is klein doordat de dieren niet kunnen vliegen of op gladde wanden kunnen kruipen. Een plaag zullen ze niet vormen in huis na ontsnappingen, maar de dieren kunnen wel enige tijd overleven, ook in de winter.
Laat ze niet zomaar los in het vivarium, kans dat ze daarin kweken is aanzienlijk. Voer ze uit de hand, pincet of verankerde gladde schaal of kom.
Blaptica dubia / Argentijnse kakkerlak: 40-45 mm
Idem doodskopkakkerlak.
Deze soort wordt aanzien als het ideale voederinsect en mogelijk terecht. Zijn uiterst voedzaam, maken geen lawaai, zijn makkelijk te kweken, geuren niet, zijn niet plaagvormend, hebben ideale afmeting en alle insecteneters zijn er dol op.
Het enige mogelijke nadeel dat ik kan bedenken is dat ze traag volwassen worden ten opzichte van bijvoorbeeld krekels. Waardoor een degelijke kweekgroep nodig is als je ze als voederdier wil gebruiken. Dit nadeel komt wel met een voordeel, de nimfen en volwassenen kunnen allemaal bij elkaar gehuisvest worden.
Panchlora nivea / Groene kakkerlak: 15-24 mm
Een goed voederinsect voor kleinere reptielen die door hun groene kleur aanzien worden voor een lekkere hap.
De kweek ervan is wel anders dan bij de andere kakkerlakken. De bruine nimfen van deze soort leven in vochtig en warm substraat. Ga niet in het substraat graven opzoek naar de nimfen, hiermee beschadig je zowel de eitjes als de nimfen met alle gevolgen van dien. Voer dus enkel de volwassen groene kakkerlakken.
Dit is een vliegende soort. Dit is echter van geen belang bij ontsnapping daar de insecten geen geschikte kweekbodems vinden in huis. In vochtige vivaria kunnen deze kakkerlakken mogelijk wel kweken.
Shelfordella tartara / Redrunner kakkerlak: 20-30 mm
Haal deze soort niet in huis. Hoewel de redrunner een tropische soort is, vormen ze heel snel in huis (en zelfs dat van de buren) een plaag.
Callosobruchus maculatus / Voorraadkever of bonenkever: 2-4 mm
Deze kleine kevers zijn geschikt om te voeren aan kleine insectenetende soorten.
Ze zijn makkelijk te kweken en niet plaagvormend in huis. Buiten deze soort zijn er nog enkele andere bekende bonenkevers.
Pachnoda marginata peregrina / Rozenkever of dola: 20-30 mm
Hoewel de kevers ook kunnen gevoerd worden, gaat het vooral over de tot 6 cm lange larven. Deze zijn uiterst voedzaam en uitermate geschikt voor grotere reptielen. Gebruik ze niet als hoofdvoer, dan zal je reptiel al snel te vet worden.
De dola is makkelijk te kweken. Een goede kweek geurt normalerwijze niet hard. Indien je ze zelf kweekt heb je ook larven voor kleinere reptielen in kleinere maten.
Let op, de larven hebben zeer sterke kaken en kunnen pijnlijk bijten. Voor je reptiel is dit geen probleem, deze weten namelijk goed hoe ze moeten vermijden gebeten te worden. Voor jezelf echter kan het wel een pijnlijke zaak worden.
Buiten voederdieren zijn deze kevers ook leuke exotische huisdieren.
Alphitobius laevigatus / Buffaloworm & buffalokever: 12-15 mm
Dit zijn één van de drie larve soorten die teveel gevoerd worden. Ze zijn vet, laag in voedingswaarde en hebben een heel slechte Ca:P verhouding.
Ontsnapte wormen in het vivarium kunnen je reptiel aanvreten of een ravage maken in de achterwand. Zorg dus dat alle larven steeds opgegeten zijn vooraleer u de lichten uitdoet bijvoorbeeld. Voer ze ook niet aan grote reptielen, deze slikken de wormen in vooraleer te kauwen. Hierdoor is er mogelijke inwendige schade mogelijk.
Mijn advies is deze dieren niet of uitzonderlijk te voeren. Waar het geschikt voer is voor ongewervelde, is het dit niet voor reptielen en amfibieën.
Tenebrio molitor / Meelworm & meeltor: 15-20 mm
Idem buffaloworm.
Daarboven hebben deze wormen een hard, haast onverteerbaar pantser die kan leiden tot verstoppingen bij jou dier. - Zophobas morio / Morioworm & moriokever: 40-50 mm
Idem buffaloworm.
Door hun grootte vormen ze een kleiner gevaar dan de andere twee wormensoorten. Ze kunnen worden gevoerd aan dieren die wat te mager zitten. Verder zou ik ook deze wormen niet voeren.
Agrotis infusa / Bogongvlinder & rups: 45-60 mm
Zowel de vlinder als de rupsen zijn zeer voedzaam voor reptielen. Jammer genoeg zijn ze amper in de handel en haast onmogelijk zelf te gaan kweken.
Bombyx mori / Zijdevlinder & zijderups: 30-50 mm
De bekende zijderups die verantwoordelijk is voor de productie van zijde.
Uiterst voedzame rupsen en vlinders, jammer genoeg zijn ze in de handel levend amper te vinden. Indien je reptielen ook dode voedseldieren eten, zijn gedroogde wormen een redelijk alternatief om regelmatig te voeren.
De dieren zijn moeilijk zelf te kweken. Doordat de echte zijdevlinder al is uitgestorven is deze soort afhankelijk van de mens voor zijn voortbestaan. De huidige vlinder kan echter niet meer vliegen en zelfs de rupsen zijn voor consumptie van zijde anders in uiterlijk.
Chilecomadia moorei / Tebo of boterworm: 15-20 mm
Deze boterwormen zijn rupsen van een Chileense nachtvlindersoort. Ze zijn zeer geschikt voor geregeld te geven aan reptielen voor hun hoge Calcium waarde.
Jammer genoeg zijn ze weinig te vinden in de handel en prijzig. Ze zijn niet zelf te kweken doordat ze rechtstreeks van uit Chili worden ingevoerd. Daar worden ze eerst behandeld zodat ze niet kunnen verpoppen. Dit wordt gedaan doordat ze worden aanzien als een plaagvormende soort.
Galleria mellonella / Grote wasmot & wasmotlarve: 15-20 mm
Eén van de meer bekende voederdieren. Hierbij wordt vaak aangegeven, dat je de wormen enkel mag geven als snoepje aan je reptiel. Zelf ben ik van mening dat je ze heus wat meer mag voeren, echter moet je ze wel eerst goed gutloaden, iets wat bij wasmotlarven te vaak vergeten wordt. Je kan dit doen door bijvoorbeeld wat honing op te lossen in water zodat je een meer stroperige substantie krijgt. In deze substantie laat je dan enkele papieren (zonder inkt en chemische middelen) weken. Het papier haal je eruit, het overtollige stroop haal je eraf en het papier kan gevoerd worden aan je wasmotlarven.
De wasmot is makkelijk zelf te kweken. Probeer de kweek zogoed mogelijk af te sluiten, de kleine wasmot (inheemse soort) kan de kweek anders snel infecteren.
Zowel de larve, de pop, als de vlinder kunnen gevoerd worden.
Manduca quinquemaculata / Haviksmot & hoornrups: 50-60 mm
Nog een erg voedzame en aantrekkelijk uitziende rups en nachtvlinder. Ideaal afwisselingvoer voor de grotere reptielen. Ze zijn echter zelden te vinden in de handel.
De rupsen eten van nature tomatenplanten welke giftig zijn. In de handel worden de dieren gehouden op alternatieve voeding zodat ze geen gifstoffen meedragen.
Samia cynthia / Hemelboomvlinder & eri rups: 50-70 mm
Een mooie grote nachtvlinder waarvan de rupsen erg voedzaam zijn, echter met mate gevoerd mogen worden. Net als de meeste rupsen zijn ook deze weinig in de handel te vinden.
Maar deze hebben één voordeel die niet alle andere vlinders hebben. Ze zijn namelijk makkelijk zelf te kweken. De voederplant bestaat uit liguster, een plant die zelfs in onze contreien wintergroen blijft.
Drosophila funebris / Fruitvlieg: 4-5 mm
Fruitvliegen zijn door hun grote vooral ideaal voer voor kleine kikkersoorten, maar ook voor kleine reptielen zijn ze ideaal als afwisselingvoer.
Deze soort kan vliegen. Om ze in het vivarium op één plek te houden kan er bijvoorbeeld een stukje zoet fruit geplaatst worden.
Fruitvliegen zijn relatief makkelijk te kweken.
Drosophila hydei / Fruitvlieg: 4-5 mm
Idem funebris.
Deze soort kan niet vliegen.
Drosophila melanogaster / Fruitvlieg: 3-4 mm
Idem funebris.
Er bestaat binnen deze soort zowel een vliegende als niet vliegende vorm.
Hermetia illucens / Zwarte soldaatvlieg & phoenixworm: 3-19 mm
In Amerika wordt deze larve aanzien als het ideale voedseldier. Ze zijn voedzaam (hoge Calcium waarde) en kunnen als hoofdvoer gebruikt worden, maar afwisseling met andere voedseldieren is nog steeds nodig. Het probleem bij dit soort voedseldieren is dat de voedingswaarde sterk kan verschillen per leverancier. De reden van hun voedzame lichamen ligt namelijk grotendeels in hun voeding.
Houdt deze dieren ver genoeg weg van zoogdieren en zorg dat alles goed is afgesloten. De larven kunnen namelijk zorgen voor myiasis of huidmadenziekte.
Phaenicia sericata / Vleesvlieg: 10-15 mm
Hoewel deze insecten een lage voedingswaarde hebben, zijn ze voor reptielen erg interessant. De vliegen zijn namelijk perfect om het jachtinstinct aan te wakkeren en te verbeteren. In het vivarium kan je de vliegen op één plek houden door bijvoorbeeld een stukje overrijp fruit te plaatsen.
Voer in geen enkel geval de maden. Ze zijn niet voedzaam, bevatten schadelijke stoffen en overleven vaak kauwen van reptielen waardoor ze ernstige inwendige schade kunnen aanrichten.
Protophormia terraennovae / Bromvlieg: 15-20 mm
Idem vleesvlieg.
Musca domestica / Huisvlieg & krulvlieg: 6-10 mm
Idem vleesvlieg.
De krulvlieg is een gekweekte vorm die niet kan vliegen.
Carausius morosus / Indische wandelende tak (PSG1): 80-100 mm
De meest bekende wandelende tak. Hoewel mogelijk veel dieren ze niet zullen eten, zijn ze best voedzaam.
Ze zijn heel makkelijk te kweken. Let hierbij wel goed op dat de voederplanten niet giftig zijn.
Formicidae / Mieren:
Deze insecten worden amper tot nooit gebruikt binnen de hobby. Dit ligt niet aan de voedzaamheid van de mieren, maar aan de moeilijkheidsgraad. Mieren zijn voedzame insecten die in verschillende groottes voorkomen. Het grote probleem is dat ze in kolonies leven en vaak afhankelijk zijn van bepaalde schimmels en planten.
Er bestaan echter reptielen die geheel afhankelijk zijn van mieren om te overleven. Ze gebruiken namelijk het zuur van het insect bij de vertering.
Mieren zijn niet makkelijk of evident om zelf te kweken. Maar wie het toch probeert heeft er vaak een kolonie hobbydieren bij.
Isoptera / Termieten:
Idem mieren.
Kunnen bij ontsnapping zware schade aanrichten aan gebouwen.

Kreeftachtigen:
Hoewel deze klasse niet bekend is bij het grote publiek, zitten hier enkele zeer voedzame soorten tussen. De kreeftachtigen hebben allemaal één ding gemeen, ze bevatten een hoge Calciumwaarde. Iets wat voor vele reptielen een belangrijk element is.
Bij deze soort is het belangrijk om je te houden aan de regel wat je reptiel in het wild niet eet, moet hij ook niet in gevangenschap eten. Voer daarom een woestijndier bijvoorbeeld geen kreeftachtigen.
Waterschildpadden, jonge krokodilachtige, waterminnende hagedissen zijn de meest voorkomende reptielen waarbij kreeftachtigen kunnen gevoerd worden.
Bij kreeftachtigen denkt men vooral aan kreeften, krabben, garnalen, pissebedden, watervlooien, karperluizen, eendenmosselen, etc. Uiteraard zijn deze niet allemaal geschikt voor het voeren aan reptielen. Vermijdt kreeftachtigen afkomstig uit zoutwater, te hoge zoutgehaltes zijn voor meeste reptielen niet gezond. Dieren uit brakwater zijn meer geschikt, maar het beste zijn zoetwaterdieren te gebruiken.
Afhankelijk van de afhankelijk van water van de kreeftachtige kan je ze aan je reptielen voeren in een schaaltje met een klein laagje of geen water. Of indien ze dit uit zichzelf doen, ze zelf laten jagen.
Buiten de hier beschreven soorten zijn er nog andere mogelijkheden, aan jou om uit te zoeken welke nog geschikt kunnen zijn.
Neocaridina heteropoda / Vuurgarnaal: 15-30mm
De vuurgarnaal is niet enkel een steeds populairder aquariumdier, maar ook een goede voedingsbron. Vooral voor jonge reptielen zijn deze kleine garnalen geschikt als voer.
Het zijn zoetwatergarnalen (kunnen ook op brakwater) die makkelijk en zeer productief te kweken zijn in een visloos aquarium.
Palaemon elegans / Steurgarnaal: 90-100 mm
De steurgarnaal is van nature een zoutwaterbewoner. Hij wordt echter ook gevonden in brak en zelfs zoet water, wat het ideaal maakt voor reptielen. Door zijn grote kan hij gevoerd worden aan de grotere reptielen.
Van het kweken van de steurgarnaal in de hobby is maar weinig bekend. Het kan echter niet zo moeilijk zijn.
Procambarus clarkii / Rode rivierkreeft: 80-120 mm
De rode rivierkreeft staat wel eens op het menu van de mens. Er zijn echter nog andere dieren die deze kreeften zeer lekker vinden, waaronder reptielen. Deze dieren hebben een harder pantser als bijvoorbeeld garnalen, houdt hier rekening mee dat jou reptiel dit pantser kan breken met zijn bek. De wat jongere en kleinere kreeften zullen hierdoor meer geschikt zijn.
Het kweken van deze kreeften is zeer eenvoudig in aquaria. Ze zijn namelijk mede verantwoordelijk voor het uitroeien van onze eigen inheemse zoetwaterkreeften. Zo worden ze wel eens verkocht om in vijvers te houden, houdt er wel rekening mee dat deze kreeften ook uit het water kruipen.
Indien de kreeften te groot zijn geworden voor je reptiel, kan je ze nog altijd zelf opeten.
Porcellio scaber / Gewone pissebed: 10-15 mm
Hoewel velen zullen denken dat dit diertje een insect is, is het weldegelijk een kreeftachtige. De meeste pissebedden leven dan ook in zee, maar enkelen zijn geëvolueerd op land en zelf daar hebben ze grote nood aan vocht.
De pissebedden zijn zoals meeste kreeftachtigen voedzaam en bevatten een hoge dosis Calcium.
Door hun kleinere formaat zijn ze ideaal voor jonge en kleinere reptielen. Deze kunnen gebruikt worden als hoofdvoedsel, uiteraard met nog de nodige variëteit in voedsel.
De gewone pissebed is makkelijk te kweken (24/7 donkere omgeving geeft dubbele kweekresultaten) of kan gewoon buiten verzameld worden onder stenen en dood hout. Je kan de dieren ook gewoon uitzetten in het vivarium indien deze vochtig genoeg is, daar zullen ze kweken, afval opruimen, schimmels tegengaan en dienen als voedsel voor je reptiel.
Trichorhina tomentosa / Tropische witte pissebed: 6-8 mm
Idem gewone pissebed.
Hebben meer nood aan warmte en vochtigheid.

Reptielen:
Iedereen kent reptielen, maar wie kent reptielen als voedsel.
Het grootste probleem bij het voeren van reptielen ligt bij de hobbyist zelf. Velen onder ons vinden het barbaars en respectloos. Maar is dit wel zo?
In de natuur zijn vele reptielen namelijk reptieleneters, waaronder ook kannibalisme voorkomt. Er zijn zelfs soorten die er geheel afhankelijk van zijn.
Dit wil natuurlijk niet zeggen dat iedereen opeens reptielen moet gaan voeren, maar je kan wel openstaan voor het idee. Het is namelijk een zeer voedzaam alternatief.
Voeren van reptielen kan je ook bekijken als een oplossing. Bedenk je hoeveel er met bepaalde soorten gekweekt wordt, waardoor er een overaanbod veroorzaakt wordt. In plaats van deze reptielen een pijnlijke langzame dood te geven bij impulsieve aankopen of in winkels, kan men de dieren ook een eerbare en natuurlijke dood geven waarin het zijn nut heeft getoond in de cyclus van het leven.
Een andere oplossing voor een probleem zijn misvormde, zwakke en doodgeboren jongen. In plaats van deze hopeloos te proberen redden of in de afvalcontainer te gooien, kan men ze ook voeren aan andere reptielen. Ook zo tonen ze een beter nut in de cyclus van het leven. De ene zijn dood is het andere zijn brood.
Voer geen dode dieren indien de doodsoorzaak niet geweten is. Je weet namelijk nooit waaraan het is gestorven en of het overdraagbaar is.
Hoewel reptielen in meeste gevallen dure voedseldieren zouden zijn, is dit niet het geval als je jezelf beperkt tot je eigen kweekdieren.
Buiten de hier beschreven soorten zijn er nog andere mogelijkheden, aan jou om uit te zoeken welke nog geschikt kunnen zijn.
Eublepharis macularius / Luipaardgekko: 20-25 cm
De luipaardgekko is een bekende en populaire hagedis. Dit zorgt er ook voor dat er veel overaanbod is. Dit kan gecompenseerd worden door ze in sommige gevallen te gebruiken als voer.
Pogona vitticeps / Baardagame: 45-60 cm
Idem luipaardgekko.
Baardagamen zijn gekende kannibalen en zullen niet aarzelen hun eigen jongen te eten.
Pantherophis guttatus / Korenslang: 120-160 cm
De korenslang is een bekende en populaire slang. Dit zorgt er ook voor dat er veel overaanbod is. Dit kan gecompenseerd worden door ze in sommige gevallen te gebruiken als voer.
Denk bijvoorbeeld aan het geslacht Lampropeltis (koningsslangen) die in het wild ook andere slangen en soortgenoten eten.

Vissen:
Voederdieren voor de waterminnende reptielen. Krokodilachtigen, waterschildpadden, waterminnende hagedissen en slangen kunnen allemaal vis op hun dieet krijgen.
Hoewel vissen niet aan alle reptielen kunnen gevoerd worden, hebben ze enkele belangrijke eigenschappen. Zo zijn ze algemeen makkelijk verteerbaar en bevatten ze visvetzuren. Visvetzuren zijn onder andere belangrijk voor een goede bescherming tegen hart- en vaatziekten.
Vermijdt vissen afkomstig uit zoutwater, te hoge zoutgehaltes zijn voor meeste reptielen niet gezond. Dieren uit brakwater zijn meer geschikt, maar het beste zijn zoetwatervissen te gebruiken.
Ook vissen met een hoog gehalte aan thiaminase moeten vermeden worden. Deze stof breekt namelijk vitamine B1 af. Een tekort veroorzaakt zenuwstoornissen en is onbehandeld dodelijk. Oplossingen zijn de vis minstens 5 minuten te koken in water van 80° Celsius of meer of extra vitamine B1 toe te voegen aan de voeding. Kijk dus altijd eerst na of jouw voedervis deze stof bevat.
Je kan ze aan je reptielen voeren in een schaaltje met een klein laagje water. Of indien ze dit uit zichzelf doen, ze zelf laten jagen. Ook is het mogelijk stukjes vis te geven. Bijvoorbeeld van grotere vissen.
Buiten de hier beschreven soorten zijn er nog andere mogelijkheden, aan jou om uit te zoeken welke nog geschikt kunnen zijn.
Carassius auratus auratus / Goudvis: 20-40 cm
De bekende vis in de kom. De goudvis is een populaire vijver en aquariumvis. Door het grote aanbod hiervan zijn goudvissen relatief goedkoop te verkrijgen. Ook zijn ze makkelijk zelf te kweken in vijvers. Echter zijn ze niet geschikt als voedsel, daar de goudvis de drager kan zijn van een TBC virus. Een overdraagbare ziekte op reptielen. 
Poecilia reticulata / Guppy: 2-4 cm
De guppy is een populaire kleine warmwatervis. Dit maakt hem ideaal om te voeren aan kleinere soorten of jonge reptielen.
De kweek van een guppy is heel makkelijk daar ze levendbarend zijn.
Rutilus rutilus / Blankvoorn: 25-30 cm
De blankvoorn is een slanke snelle vis. Dit maakt dat hij meer geschikt is om dood te voeren.
Er bestaan hiervan al kweekvarianten die gelig tot oranje gekleurd zijn.
Verder kunnen ze zich relatief makkelijk voortplanten in vijvers.
Tilapia spp: 20-40 cm
De Tilapia is een cichlide soort. Hoewel hij bij velen niet direct bekend is, kan hij zelfs worden aangetroffen bij de vishandelaar.
Ze kunnen zelf gekweekt worden, maar dan heeft men wel een groot aquarium nodig.
Xiphophorus hellerii / Zwaarddrager: 5-7 cm
Idem guppy.

Vogels:
In de vorm van eendagskuikens zijn vogels wel bekend bij de hobbyist. Er zijn echter meer geschikte vogelsoorten op de markt die kunnen dienen als voedsel voor jouw reptiel.
Hoewel vogels binnen de hobby niet vaak gebruikt worden als voedsel, eten in het wild vele soorten reptielen wel eens een vogeltje. Het wellicht meest voorkomende in de natuur is het leegroven van vogelnesten waarbij zowel eieren als jongen worden gegeten. Maar kundige jagers kunnen ook eens een volgroeide vogelsoort opeten. Bijvoorbeeld een vogeltje dat ongelukkig vlak naast een gecamoufleerde slang land of loopvogels die voorbij de bek van een hagedis lopen. Zo is er een slangensoort die het hele jaar niets eet tot trekkende vogels massaal op hun eiland landen om uit te rusten en zich dan volproppen met vogels.
Bij vogels voeren zit men vaak met hetzelfde dilemma als bij reptielen voeren. Hoe kan je zo een schattig vogeltje voeren. Dan kan ik ook zeggen, hoe kan je jouw reptiel zijn natuurlijke voeding ontzeggen, wat maakt namelijk de levenswaarde van een hond meer dan dat van een krekel bijvoorbeeld.
Echter is het zo dat ik van mening ben dat je volwassen vogels niet moet gaan voeren of tenminste niet opzettelijk. In grote ruimtes, bijvoorbeeld een serre, kan je vogelnestjes plaatsen waar de reptielen er niet bij kunnen. Als de vogels dan ongelukkig landen is het de natuur die beslist heeft. De kans dat alle vogels zo opgegeten worden is klein, er kan een natuurlijke balans gaan ontstaan op deze manier.
Verder kunnen ook de eieren gegeten worden door vele reptielensoorten.
Buiten de hier beschreven soorten zijn er nog andere mogelijkheden, aan jou om uit te zoeken welke nog geschikt kunnen zijn.
Cotumix chinensis / Chinese dwergkwartel: 11-13 cm
De Chinese dwergkwartel is een uiterst actieve hoenderachtige. Zijn grote en gebrek aan vliegkunsten maakt hem een goede aanvulling op de normale voeding van reptielen.
De dwergkwartel is echter niet altijd even evident te kweken. De hennetjes hebben na vele generaties van gevangenschap en broedmachines geen tot weinig moederinstinct meer.
Cotumix japonica / Japanse kwartel: 17-20 cm
Idem Chinese dwergkwartel.
Gallus gallus domesticus / Kip:
Hoewel een volwassen kip voor de meeste in gevangenschap gehouden reptielen te groot is, kan wel het vlees, ei en kuikens gevoederd worden.
Voer eendagskuikens niet teveel. Ze zorgen namelijk voor diarree en hard geurende ontlasting. Ze kunnen wel eens gevoerd worden om de darmen eens goed te legen.
Melopsittacus undulatus / Grasparkiet: 18-24 cm
De grasparkiet is een bekende in gevangenschap levende vogel.
Hij kweekt makkelijk en relatief veel.
Taeniopygia guttata / Zebravink: 10-13 cm
Idem grasparkiet.

Zoogdieren:
Dat men geen runderen op het menu gaat zetten voor reptielen lijkt me logisch, althans niet een heel rund. Maar kleinere zoogdieren zoals knaagdieren zijn wel geschikt voer.
Slangen, schildpadden, hagedissen, krokodilachtigen, bij allen zijn er soorten die zoogdieren op het menu hebben. Vooral slangen zijn gekend als knaagdier etende reptielen.
Het voordeel van zoogdieren is dat ze een algemeen goede voedingsbron zijn waar geen toegevoegde mineralen of vitaminen moeten gebruikt worden. Echter is het zo dat bij vele reptielensoorten er teveel knaagdieren gevoerd worden wat vervetting met zich meebrengt. Dit geldt niet voor reptielen die in het wild knaagdieren als hoofdvoer hebben, maar wel voor reptielen die maar af en toe of zelden eens een knaagdier te pakken krijgen. Deze laatste mogen maar met regelmaat knaagdieren gevoerd worden.
Voor aaseters ga je ook best je voeding zoeken onder de zoogdieren. Hierbij kan je haast hetzelfde vlees voeren als je zelf eet, maar dan wel rauw en onbehandeld.
Let bij zoogdieren als voedseldieren altijd op de voeding die ze krijgen. In commerciële voeding voor onder andere knaagdieren en konijnen zitten vaak antibiotica in. Hoewel dit op korte termijn of in één generatie geen directe schade zal tonen, kan antibiotica wel zorgen voor meer resistente bacteriën op lange termijn. Zorg dus als je zelf je knaagdieren of konijnen kweekt, dat je voeding aankoopt zonder antibiotica.
Buiten de hier beschreven soorten zijn er nog andere mogelijkheden, aan jou om uit te zoeken welke nog geschikt kunnen zijn.
Cavia porcellus / Huiscavia: 25-30 cm
De cavia is door zijn grootte meer geschikt voor de grotere reptielen.
De dieren kweken makkelijk, maar niet echt zo snel als sommige andere knaagdieren.
Cricetinae / Hamster:
Hamsters worden vaak gevoerd aan slangen die geen muizen eten. Zeg maar moeilijke eters. Ze zijn wel duurder doordat ze niet als voederdier worden verkocht.
Meeste hamstersoorten zijn makkelijk te kweken, maar ook hier is de opbrengst niet zo groot als bij andere knaagdieren.
Mastomys natalensis / Veeltepelmuis: 22-31 cm
De veeltepelmuis is een erg handige muissoort voor bijvoorbeeld slangenhouders. Ze hebben namelijk 24 tepels en produceren grotere nesten dan gewone muizen.
In een kweek gaan ze niet zo hard geuren. Het grote nadeel aan deze soort is dat ze nogal agressief zijn. Echter kan men via meerdere generaties deze muizen tam krijgen.
Meriones unguiculatus / Mongoolse gerbil: 20-24 cm
Idem hamster.
De Mongoolse gerbil heeft hogere kweekopbrengsten.
Mus musculus / Huismuis: 14-20 cm
Het populairste knaagdier dat gebruikt wordt als voedseldier. Zoals bij alle knaagdieren geldt ook hier dat de voedingswaarde bepaald wordt door de waarde van het voedsel dat het voedseldier eet.
Door zijn plaagvormende gedrag is de huismuis gemakkelijk en snel te kweken. Een kweek kan wel snel en hevig geuren.
Oryctolagus cuniculus / Konijn:
Idem huismuis.
Het enige verschil is de grootte en dat een konijn geen knaagdier is.
Rattus norvegicus / Tamme rat: 36-52 cm
Idem huismuis.

Overige:
Achatina spp / Agaatslak: 10-30 cm
Agaatslakken zijn reuzen huisjesslakken die op land leven. Hoewel de grote slakken niet kunnen gevoerd worden, vallen de eieren en kleine slakken erg in de smaak van vele reptielen.
Ze zijn makkelijk te kweken en zijn een extra attractie in je huis.
Pomacea canaliculata / Appelslak: 5-15 cm
Steeds populairder wordende aquariumslak. De slakken zowel als de eieren zijn erg voedzaam voor waterminnende reptielen. Ook andere waterslakken zijn mogelijk.
Collembola / Springstaartje: 2-6 mm
Deze kleine diertjes kunnen gebruikt worden als voedseldiertjes voor jongen van kleine reptielen.
Daarboven hebben ze nog andere interessante eigenschappen. Zo zijn ze schimmeleters en opruimers, wat in een vochtig vivarium erg van pas kan komen.
Dendrobaena veneta / Regenworm of aardworm:
Regenwormen zijn vaak erg in trek bij insectenetende reptielen. Het is echter wijselijk ze niet uit de tuin te halen, maar te kopen bij de hengelsportwinkel of zelf te kweken. De wormen kunnen namelijk allerlei schadelijke stoffen opnemen.
In vochtige vivaria is het aangewezen enkele regenwormen uit te zetten. Deze helpen namelijk het afvalmateriaal op te ruimen zodat planten het kunnen hergebruiken.


Weideplankton:
In de lente, zomer en herfst zijn er tal van insecten en andere dieren in de tuin te vinden. En net als bij onkruid, zijn deze vaak veel voedzamer dan gekweekte insecten.
Weideplankton hoef je niet te bepoederen met mineralen en vitaminen en zijn geheel gratis. Het enige aan kosten die je krijgt is tijd. Maar met een vlindernet eens goed tussen hoge grassen en struiken slaan levert vaak al een ongelooflijk resultaat op. Ook onder stenen of dood hout kijken levert resultaten op.
Uiteraard kan je niet alles voeren. Sommige dieren zijn giftig, smaken slecht, zijn te zeldzaam om te oogsten of vluchten te snel weg.
Dieren als bijvoorbeeld sommige rupsen kunnen giftig zijn. Ook kunnen dieren giftig zijn omdat er met pesticiden besproeid wordt. Indien dit het geval is, mag men in geen geval de insecten vangen.
Sommige insecten smaken gewoon slecht, bijvoorbeeld het lieveheersbeestje of cicaden en enkele andere (meestal gekleurde) kevers. Deze kunnen gevoerd worden, maar of je reptiel ze zal eten is een andere kwestie.
Waarom insecten gaan vangen waar er maar weinig van zijn. Vang daarom geen vlinders of rupsen (behalve het koolwitje), deze komen steeds minder voor doordat mensen geen vlinderbloemen en voederplanten meer gaan aanplanten. Ga deze bedreiging voor de dieren dan ook niet verder uitbreiden. Dit geldt ook voor ondermeer beschermde inheemse insecten als de meikever, neushoornkever, vliegend hert, etc.
En dan heb je nog de ongewervelden die razendsnel wegkruipen, bijvoorbeeld duizendpoten. Indien deze diertjes los raken in het vivarium, kunnen ze onder andere schade aanrichten aan je planten.
Maar zelfs buiten deze soorten zijn er nog tal van andere soorten die kunnen gevoerd worden. Vliegen, libellen, pissebedden, slakken, sprinkhanen, krekels, wantsen, spinnen, mieren, langpootmuggen, bijen, hommels en nog veel meer.
Hoewel sommige van deze soorten aardig kunnen steken of bijten, zijn het geen bedreigingen voor reptielen, deze weten goed hoe ermee overweg te gaan. Ga uit van de regel, als het voedseldier breder is, dan de breedte van de mond van jou reptiel. Voer het dan niet. Je wilt namelijk niet dat de jager de gejaagde wordt.

 

Mineralen en vitamine supplementen.

Zoals al eerder vermeld zijn vele voedingssoorten, zowel planten als dieren, kwalitatief niet goed genoeg om te dienen als voedsel. Hiervoor gebruikt men binnen de hobby mineralen en vitamine supplementen om de waarde van het voedsel te verhogen.
Er zijn verscheidene algemene methodes om deze supplementen toe te dienen aan reptielen.
- Poedervorm:
Supplementen in poedervorm kunnen makkelijk toegevoegd worden aan het voedsel. Het blijft plakken op planten als zowel dieren. Een nadeel is wel dat vele insecten zichzelf snel willen schoonmaken na bepoedert te worden. Niet teveel in één beurt voeren lost dit probleem grotendeels op.
Vele poedervormen kunnen ook opgelost worden in water.
- Vloeibaar of sprayvorm:
Deze methode is gelijkaardig aan de poedervorm. Enkel wordt hier gebruik gemaakt van een vloeibare substantie.
- Directe toediening:
Door middel van een spuit (zonder naald) kunnen supplementen toegediend worden bij reptielen. Dit gebeurt dan onder dwang door de vloeistof in de mond te laten vloeien.
Dit is geen methode die als alledaags kan beschouwd worden. Er moet worden van uit gegaan dat dit enkel bij noodgevallen gebeurd. Bijvoorbeeld een reptiel met een tekort aan vitamine B1 kan dan een toediening krijgen van die bepaalde vitamine.
- Injectie:
Bij dringende gevallen kan er gebruik gemaakt worden van een injectie. Je voert dit niet zelf uit en laat je over aan een ervaren reptielendierenarts.

Wat zit er nu allemaal in die supplementen en wat is het nut ervan? In de mate van het mogelijke en mijn kennis komt er hier een lijst. Buiten deze lijst zijn er ook nog andere mineralen en vitaminen bekend, hier staan echter de voornaamste.
 

 

Mineralen:
Calcium (Ca):
Een mineraal die nodig is bij de bouw en het onderhoud van het skelet, bij de werking van zenuwen en spieren, bij de bloedstolling en bij het transport van stoffen in de lichaamscellen.
Een tekort aan Calcium kan de oorzaak zijn van botontkalking, rachitis en spierkrampen.
Fosfor (P):
Een mineraal dat belangrijk is bij de skeletbouw en het onderhoud, voor het transport en opslaan van energie en speelt een belangrijke rol bij de bouw van DNA en RNA.
Natrium (Na):
Het helpt bij de regeling van vocht in het lichaam en regelt de bloeddruk.
Natrium is verantwoordelijk voor het dorstgevoel.
Een tekort aan Natrium kan leiden tot onder andere uitdroging. Overtollig Natrium wordt uitgescheiden door urine, tranen en niezen.
Kalium (K):
Het speelt een belangrijke rol in het lichaam zoals bij pulsoverdracht in zenuwen, aanmaak van eiwitten en aanmaak van glycogeen.
Een tekort aan Kalium kan leiden tot spierverlamming. Een teveel kan leiden tot overprikkelbaarheid van de spieren waaronder de hartspier, die in extreme gevallen kan leiden tot hartstilstand. Overtollig Kalium wordt via de nieren verzameld en verlaten via urine het lichaam.
Magnesium (Mg):
Het is onmisbaar voor de energieproductie, de werking van spieren en zenuwen en voor het behoud van de stevigheid van botten. Magnesium speelt een belangrijke rol bij de werking van enzymen in het lichaam en is betrokken bij de aanmaak van hormonen.
Een tekort aan dit metaal zijn algemene lusteloosheid of vermoeidheid. Bij een teveel aan magnesium ontstaat lichte diarree. Overtollig Magnesium wordt verzameld door de nieren en verlaat via urine het lichaam.
Jodium (I):
Is nodig voor een goede schildklierwerking en helpt de lichaamsweerstand op te bouwen.
Koper (Cu):
Zorgt voor de stofwisseling en bloedvorming.
Mangaan (Mn):
Is een toxisch essentieel sporenelement. Het zorgt voor de stofwisseling en bloedvorming.
Zink (Zn):
Zorgt voor de enzymenwerking.
Selenium (Se):
Is nodig voor een goede werking van vitamine E.
Ijzer (Fe):
Zorgt voor de bloedkleurstof hemoglobine, is belangrijk bij de stofwisseling en zorgt voor zuurstofactivering en zuurstoftransport.

 

Vitaminen:
Vitamine A1:
Ook wel retinol genoemd. Het is belangrijk bij het opmaken van haarvaten en de gezondheid van cellen. Ook is het een bouwsteen van het lichtgevoelige pigment rodopsine dat voorkomt in het netvlies van de ogen. Daarnaast speelt het een rol bij de groei en de gezondheid van de huid.
Een tekort kan zorgen voor een verminderd gezichtsvermogen tot volledige blindheid, een droge huid, een verminderde afweer en verminderde vruchtbaarheid.
Een teveel kan leiden tot verschijnselen als duizeligheid, gebrek aan eetlust, vermoeidheid en afwijkingen aan ogen, huid en skelet. In hoge dosis kunnen ook misvormingen optreden bij jongen.
Vitamine B1:
Ook wel thiamine genoemd bevindt zich in de zenuwen. Het speelt een belangrijke rol bij het behoud van zenuwen, de hartspier en de zenuwbanen. Het heeft een directe invloed op de werking en de conditie van het geheugen.
Een tekort kan zorgen voor hartritmestoornissen, verminderde reflexen, mentale staat van verwarring, verminderde eetlust, stuiptrekkingen en overgevoeligheid voor geluid.
Een teveel komt niet vaak voor doordat het lichaam een teveel verwijderd via de nier en urine.
Vitamine B2:
Ook wel riboflavine genoemd, speelt voornamelijk bij groeiprocessen een rol. Het ondersteunt de energieproductie door een rol te spelen bij de stofwisseling van vetten, zetmeel en eiwitten. Vitamine B2 is ook nodig voor het vormen van rode bloedcellen, voor de ademhaling, voor de productie van antilichamen en voor het reguleren van groei en voortplanting. De vitamine is noodzakelijk voor een gezonde huid, nagels en een goede gezondheid in het algemeen.
Vitamine B3:
Ook wel nicotinamide genoemd speelt een belangrijke rol bij een goede stofwisseling en het omzetten van eiwitten, vetten en koolhydraten.
Een tekort kan zorgen voor ontstekingen aan de huid, slijmvlies van de mond, tong en darmen.
Vitamine B5:
Ook wel pantotheenzuur genoemd, speelt een cruciale rol in het metabolisme van koolhydraten en vetten. Ook is het betrokken bij de synthese van vetten en cholesterol.
Vitamine B6:
Ook wel pyridoxine genoemd, is belangrijk voor de weerstand en de spijsvertering. Daarnaast speelt het een rol bij de vorming van rode bloedcellen. Vitamine B6 zorgt verder voor een goede werking van het zenuwstelsel.
Vitamine B8:
Ook wel biotine of vitamine H genoemd is nodig bij de vet- en suikerstofwisseling en de productie van vetzuren. Biotine is nodig voor de opname van vitamine C uit de ingewanden. Ook is het belangrijk bij groei en herstelprocessen van de huid, de nagels, de zenuwen en het beenmerg.
Vitamine B11:
Ook wel foliumzuur genoemd, speelt een belangrijke rol bij de vorming van rode bloedcellen en het erfelijk materiaal.
Een tekort kan als gevolg hebben een verminderde eetlust en gewichtsverlies.
Vitamine B12:
Ook wel cobalamine genoemd, voorkomt een bepaalde vorm van bloedarmoede. Daarnaast speelt het een rol bij de vorming van gezonde rode bloedcellen en zorgt het voor een goede werking van het zenuwstelsel.
Vitamine C:
Ook wel ascorbinezuur genoemd. Het is nodig bij de synthese van collageen, de meest voorkomende bouwstof van het lichaam, spiermetabolisme en het immuunsysteem. Ook is het noodzakelijk bij de genezing en herstelling van wonden en ziektes.
Een tekort kan leiden tot pijn in de botten, bloeduitstortingen, bloedarmoede en plotseling overlijden.
Vitamine D:
Waaronder de voornaamste D2 en D3 heeft grote invloed op calciumstofwisseling, immuunsysteem, hart en bloedvaten en voorkomen van bepaalde soorten kankers.
Een tekort kan leiden tot geremde en misvormde groei bij jongen (rachitis), verweking van het bot, spierzwakte en botbreuk.
Een te hoge waarde kan leiden tot verlies van Calcium uit botten.
Het is belangrijk om te weten dat vitamine D op twee manieren in het lichaam kan komen.
De eerste is via voeding, zaken als vette vissoorten en lever bijvoorbeeld bevatten D3. In principe bevat elke diersoort met een skelet in bepaalde hoeveelheid vitamine D3. In bepaalde soorten paddenstoelen zit D2. Bij voeding en dan vooral extra toevoeging van vitamine D is een overdosis mogelijk. Het is dus niet eenvoudig de juiste dosis toe te dienen.
De tweede manier is het zelf aanmaken van vitamine D3. Zelf aanmaken gebeurd door de huid die blootgesteld wordt aan UVB, dit zorgt voor een reactie die vitamine D3 aanmaakt. Hoe hoger de UVB waarde, hoe meer vitamine er kan aangemaakt worden. Via de huid wordt er echter nooit meer D3 aangemaakt dan het lichaam nodig heeft.
Het is dus belangrijk een goede balans te vinden tussen de twee manieren.
Vitamine E:
Ook tocoferol genoemd, speelt een rol bij de aanmaak van rode bloedcellen en het in stand houden van spier- en andere weefsels. Ook is het belangrijk voor de weerstand. Heeft onder andere een functie bij de vruchtbaarheid en de ontwikkelingskracht van nog niet geboren jongen.
Vitamine K:
Is belangrijk voor de bloedstolling, maar ook voor de botstofwisseling.
Een tekort kan leiden tot een vertraagde bloedstolling tot in het ergste geval bloedingen.

 

Hoewel het niet direct nodig lijkt al deze vitaminen en mineralen te kennen, is het vaak handig als er iets mis is met jou reptiel. Een ziekte wordt namelijk niet altijd veroorzaakt door bacteriën, virussen, parasieten of schimmels, maar ook door overdosis of tekorten aan bepaalde stoffen. Door de symptomen van deze overdosissen of tekorten te herkennen kan men sneller ingrijpen.

 

Hoeveel en wanneer voeder ik mijn reptiel?

Hierover bestaat wel eens discussie. Mijn mening hierover is dat het enorm kan verschillen bij verschillende soorten. Het is namelijk sterk afhankelijk van bepaalde factoren.
In het algemeen voederen beginnende hobbyisten hun dieren gewoon teveel. Er treed vervetting op, wat de dieren lui en minder actief maakt en de algemene gezondheid gaat erop achteruit.
Hieronder enkele factoren die de voedselopname van jou reptiel beïnvloeden.
- De activiteit:
Een erg voor de hand liggende factor. Hoe meer je reptiel beweegt, hoe meer verbranding er plaats vindt in het lichaam. Dit brengt direct met zich mee dat heel actieve dieren meer kunnen eten zonder te dik te worden. Er kan direct gedacht worden dat hagedissen zo meer mogen eten dan bijvoorbeeld slangen, in vele gevallen klopt dit niet.
Een actieve reptielensoort die bij jou in het vivarium niet zo actief is, kan een gevolg zijn van teveel voeding en vervetting.
- Hoeveelheid per maal:
De ene reptielensoort eet grotere prooien dan de andere. Denk ondermeer aan vele slangensoorten die één of twee grote prooien eten en dan een week tot enkele maanden verzadigd zijn en dus geen voeding nodig hebben in die tijd. Andere zoals bepaalde hagedissen voeden zich met kleine prooien ten opzichte van hun eigen grootte. Deze kunnen zich vaak hele dagen volproppen.
- Het dieet:
De verbranding en vertering van voedsel wordt ook beïnvloed door het dieet. Herbivoren, carnivoren en omnivoren hebben een verschillende vertering.
- Winterslaap of winterrust:
Tijdens een winterslaap eten reptielen niets, tijdens een winterrust eten de dieren weinig of niks.
Reptielen die van nature één van deze twee doorgaan, moeten deze ook krijgen in gevangenschap. Indien dit niet gebeurd kan dit invloed hebben op de gezondheid en de levenstermijn.

Buiten deze zijn er uiteraard nog andere factoren, zoals de snelheid van het metabolisme, warmte, vocht, etc.
Hieruit moet men dus afleiden dat dit geheel soortgebonden is. Daarbuiten is het voor je reptielen gezond voor om de twee of drie maanden eens een korte eetpauze in te lassen, waarin de dieren een hele week of een week extra gaan vasten.

 

Ga niet telkens op dezelfde dagen en uren voeren. Voer niet elke week dezelfde hoeveelheden. Wissel af in de grootte van planten en voedseldieren. En verzadig de honger van jouw reptiel niet altijd volledig. Op deze manier boots je de omstandigheden uit de natuur het beste na.

 

Zie ook het vervolg: "Deel IV: Kweek"

Deel V: Hanteren

 

Mag ik een reptiel hanteren?

Hiervoor ga ik even terug naar hoofdstuk 1, daarin lees je al snel dat reptielen geen gezelschap of knuffeldieren zijn. Reptielen zijn in de eerste plaats kijkdieren en daarbij moet hanteren beperkt worden tot het noodzakelijke. In eerste instantie houden reptielen er niet van vastgenomen te worden. Ook al wordt er vaak anders gesuggereerd.
Het antwoord op de vraag, mag ik een reptiel hanteren, is ja het mag. Maar nogmaals enkel als dit noodzakelijk is. Het is dus niet de bedoeling om je reptielen bij je te houden om naar de televisie te kijken of mee te gaan wandelen. Telkens je jouw reptiel uit het vivarium haalt breng je het dier in potentieel gevaar.
Ook kunnen dieren hier zwaar van gaan stressen. Omdat stress kan geuit worden op verschillende manieren, ziet niet elke hobbyist dit. Sommige dieren uiten stress in het blijven stilzitten, de onervaren hobbyist bekijkt dit als excuus om te zeggen dat de dieren graag gehanteerd worden. Stress van te vaak hanteren kan ook leiden tot voedselweigering en grotere vatbaarheid voor ziektes.
Bij sommige reptielen zoals gekko’s is hanteren slecht voor hun huid. Veelvuldig hanteren leidt dan snel tot littekenweefsel.

 

Wanneer hanteer ik een reptiel?

De vraag wanneer kan of moet ik een reptiel hanteren heeft meerdere antwoorden. Hieronder enkele voorbeelden wanneer het nodig of mogelijk is.
- Vertrouwen winnen:
Hanteren van een reptiel kan hand in hand gaan met het vertrouwen winnen. Dieren die uit zichzelf bij jou komen, hebben ook geen angst van jou. Vaak wordt dit al van jongs af aan aangeleerd.
De makkelijkste manier om het vertrouwen te winnen is via voedsel. Je kan beginnen met een pincet, dan uit de hand en dan voedsel steeds verder op je arm leggen, met wat geluk kun je zo jouw reptiel aanleren om op je arm te springen. Ga de zaken niet forceren en toon geduld. Ga in geen geval de dieren proberen te vangen op deze manier, zo breek je het vertrouwen. Probeer ook met je hand of arm zoveel mogelijk in de huisvesting te blijven, indien de dieren dan alsnog willen vluchten, kunnen ze sneller naar een vertrouwde omgeving.
Deze manier is vooral van toepassing voor middelgrote hagedissen en uit de hand eten voor landschildpadden, voor slangen en krokodilachtige is deze manier niet van toepassing, tenzij je verwondingen wil oplopen.
Doe dit zeker niet dagelijks. Eenmaal in de twee weken enkele minuten is meer dan voldoende. Uit persoonlijke ervaring kan ik zeggen dat deze methode veel interessanter en leuker is dan het gewoon vastnemen. De kleine vertrouwensband die je creëert, maakt het daarbij uiterst speciaal.
- Voeren:
Sommige reptielen, meestal slangen, worden vaak gevoederd in een curver of doos en niet in het vivarium. Hiervoor is het dus nodig het reptiel te hanteren.
Belangrijk hierbij is dat je niet mag ruiken naar prooidieren. Een hand die net een muis heeft gehanteerd bijvoorbeeld, kan er voor een slechtziende slangensoort net als een muis uitzien. Was dus je handen vooraleer te hanteren.
- Inspectie/ziekte:
Het kan ook nodig zijn een reptiel eens te inspecteren op zijn algemene gezondheid. Dit kan dan weer hand in hand gaan met bezoeken brengen aan de dierenarts. Een dier met een bepaalde aandoening laat zich ofwel heel gemakkelijk vangen (ernstig ziek) of maakt het je heel moeilijk (nog niet levensgevaarlijk ziek).
- Verkoop/aankoop:
Een dier die verkocht of aangekocht wordt of klaargemaakt om mee te nemen naar een beurs, moet in meeste gevallen gehanteerd worden. Probeer de dieren echter zo lang mogelijk in hun vertrouwde omgeving te houden. Dit is een zwaar stresserende onderneming voor de dieren. Maak het hen dus zo comfortabel mogelijk en beperk je aantal verplaatsingen.

 

Hoe hanteer ik een reptiel?

Hoe een reptiel gehanteerd wordt, hangt vaak af van het reptiel in kwestie. Houdt er rekening mee dat vele soorten nagels hebben en hiermee best wat schade kunnen aanrichten. Het is dus aangewezen om een trui of iets dergelijks te dragen om de schade te beperken. Sommige mensen hebben van nagelwonden ook een irriterende uitslag, hoewel deze niet gevaarlijk is, kan men toch best deze wonden goed uitwassen.
Laat reptielen niet over je gehele lichaam kruipen. Het is niet omdat anderen dit doen, dat het ook is aangewezen. Het kan zowel voor het dier als voor jezelf schadelijk zijn. Bijvoorbeeld een baardagame die op je schouder zit en er ineens afspringt kan een gebroken poot of erger hebben. Of een tijgerpython die rond je nek hangt en ineens wel heel strak begint op te spannen.
- Hagedissen:
Kleine soorten worden best niet gehanteerd. Vele soorten hebben het mechanisme om hun staart af te werpen bij gevaar (autotomie). En veelal wordt het hanteren aanzien als een gevaar. Indien het echt nodig is, probeer de dieren op de hand te leggen en vast te houden door je duim op hun nek te plaatsen.
Middelgrote soorten zijn het makkelijkst om te hanteren. Door hun lichaam op de pols en arm te laten rusten en de kop tussen de vingers te houden worden vele soorten rustig. Dit gedrag is geen excuus om de dieren meer en langer te hanteren. Het blijven liggen heeft meer te maken met jouw lichaamswarmte en het besef niet te kunnen ontsnappen dan met het graag gehanteerd worden.
Grote soorten hanteert men best niet, indien deze dieren proberen te ontsnappen, kunnen ze heel wat schade aanrichten. Indien het echt nodig is kunnen ze best met beide handen/armen ondersteund worden. Sommige grotere boomwonende soorten worden ook rustig als je ze via een dikke trui op de borstkas laat klimmen.
- Slangen:
Slangen hanteert men best steeds met beide handen en probeert zoveel mogelijk van het dier te ondersteunen met bijvoorbeeld de armen.
Slangen die geen agressie vertonen kunnen met losse handen vastgenomen worden, zodat de slang denkt dat ze kan voortkruipen.
Agressieve slangen kan men best hanteren met één hand achter de kop om beten te vermijden. Als de slang agressie vertoont voor het hanteren kan er bijvoorbeeld met een handdoek of slangenhaak eerst de kop worden afgeschermd.
Grote slangensoorten worden best niet alleen gehanteerd. Zorg dat er minstens altijd iemand bij is moest het foutlopen. Laat de slangen vooral niet rond lichaamsdelen draaien, houdt ze bij voorkeur geheel gestrekt.
Gifslangen worden best niet gehanteerd. Indien het toch echt nodig is, kan men het dier op dezelfde manier behandelen als agressieve soorten.
- Krokodilachtigen:
Jonge dieren kan men hanteren zoals hagedissen. Let hierbij echter wel op dat je de kop in bedwang kan houden.
Grotere en volwassen soorten hanteert men het best niet. Indien het echt nodig is, kan het dier zijn bek eerst toe gebonden worden vooraleer te verplaatsen.
- Schildpadden:
Landschildpadden kunnen het best gehanteerd worden via hun schild. Je kan ze dan langs de zijkanten of achterkant vastnemen.
Waterschildpadden kunnen op diezelfde manier worden vastgenomen. Let er wel op dat ze je niet kunnen bijten. Een beet van een waterschildpad heeft catastrofale gevolgen. Soms wordt daarom ook aan de staart gehanteerd.

Houdt er dus steeds rekening mee dat je werkt met half wilde tot wilde dieren. Respect is hierin een grote troef die je kunt uitspelen. Wie respect geeft, krijgt dit vaak terug.

 

Zie ook het vervolg: "Deel VI: Combineren"