Viva-Cura

Deel II: Huisvesting

 

En nu aan het werk.

Nu je gekozen hebt welk dier je gaat aankopen en alle mogelijke informatie hebt vergaard, is de tijd gekomen om alle voorbereidingen te maken voor de komst van je nieuwe aanwinst.
Reptielen kan je niet zomaar los in huis laten lopen. Ze zouden een erg pijnlijke dood tegemoet gaan aan onderkoeling, uitdroging, nierfalen, ontsteking op de luchtwegen, etc. Daarom is het belangrijk een minibiotoop te creëren in de vorm van een afgesloten huisvesting, ook wel vivarium genoemd.

 

Welk biotoop heeft mijn dier nodig?

Dit hangt geheel af van welk reptiel je hebt. Reptielen komen in allerlei warme en zelfs minder warme biotopen voor. Hier enkele bekende biotopen:

- Woestijn:
Het eerste waar aan gedacht wordt bij het woord woestijn is een zanderige en droge vlakte waar niets in staat is te overleven. Dit klopt in vele gevallen niet.
De beschrijving van een woestijn is een gebied met minder dan 200mm neerslag per jaar. Hierdoor heb je ook weinig tot geen zichtbare plantengroei. Vaak ligt de flora diep verscholen tussen stenen of hebben ze maar een klein deel die boven de grond groeit. Anderen wachten op de grote regenbuien om dan heel snel te groeien, bloeien en zaden te vormen.
Er worden vaak woestijnbiotopen nagebootst in vivaria, echter wordt dit vaak gedaan voor de verkeerde reptielen. Meeste in woestijn levende dieren leven deels ondergronds of zijn nachtdieren omdat de omstandigheden op dat moment of plek meer leefbaar zijn.

- Steppe en savanne:
Bij de verbeelding en uitleg van een steppe en savanne kan men zich best het volgende voorstellen. Het overgangsgebied tussen een woestijn en een subtropisch klimaat.
Bij steppegebieden heb je meestal twee onderscheiden. De vlakke steppe en de rotssteppe.
Per jaar valt er tussen de 250 mm en 1500 mm neerslag, meestal in de zomerperiode. Vaak na regenbuien ontstaan kleine rivieren, beken en poelen die soms tot enkele maanden blijven bestaan.
Door de beperkte neerslag heb je maar een beperkte, maar wel sterk aanwezige flora bestaande uit grassen en laag struikgewas en enkele sterk aangepaste bomen die vaak een eenzaam bestaan leiden. Na de regenbuien krijg je net als in de woestijn een opleving en verfrissing van de flora waarin vele kruiden snel groeien en bloeien.
Grotere aanwezigheid van flora brengt een grotere aanwezigheid van fauna mee. Kleine zoogdieren en insecten waaronder termieten en mierenkolonies komen vrij frequent voor, dit maakt excellent voer voor vele reptielensoorten die vaak beter zijn aangepast aan een steppeleven.

- Subtropisch woud:
De subtropen worden getypeerd door een tropische zomer maar een niet tropische winter. Binnen de subtropen heeft men nog veel verschillen bepalend door de wintertemperaturen en de algemene neerslag. De winters zijn kort en droog en het vriest er zelden of nooit. De zomers zijn warm, maar nooit heet, met overvloedige regenval.
De fauna wordt overheerst door de loofboomsoorten die tot 30 meter boven het grondoppervlak uitkomen. Hoewel ze overheersen is loof niet het enige wat er voorkomt, ook palmen, boomvarens, reuzenkruiden, struikgewas en talrijke epifyten zoals orchideeën, varens en mossen komen talrijk voor. Het groeiseizoen duurt hierbij bijna het hele jaar door. Vaak zijn er ook open gebieden waar grassen en lager struikgewas overheersen die vaak ook een heel andere fauna met zich meebrengt.
De bodems in deze streken zijn voedzaam en rijk aan organisch materiaal.
Reptielen hebben zich sterk aangepast aan deze subtropen. Door alle verschillende minibiotopen die er heersen, is er een groot assortiment aan allerhande verschillend uitziende reptielen. Sommigen hebben zich volledig aangepast aan het leven in bomen, anderen aan het struikgewas en nog anderen verschuilen zich tussen het lage gras of tussen rijkelijk begroeide rotsen.
Vele van deze reptielen hebben echter baat of nood aan een korte winterrust of zelfs winterslaap tijdens de koudere periodes. Op dit moment lijken de subtropen wel net even stil te staan.

- Tropisch regenwoud:
Wanneer we tropisch regenwoud zeggen dan denken we onmiddellijk aan een reusachtig oerwoud. Het is er warm (gemiddeld 27°) en vochtig (tussen de 70% en 100% RV) en het krioelt er van de vreemde dieren en planten. Deels is dit een correct beeld, de biodiversiteit van het tropische regenwoud is indrukwekkend. Nergens anders komen zoveel verschillende vormen van leven voor. Duizenden, zelfs miljoenen soorten dieren, schimmels en planten vormen het meest ingewikkelde levende netwerk van de hele planeet. Het tropische regenwoud wordt volledig gedomineerd door planten. Ze groeien er in alle mogelijke vormen en formaten. De flora wordt er grotendeels gedomineerd door gigantische bomen van 30 meter tot zelfs 60 meter hoog met brede kruinen die amper tot geen licht doorlaten. Dit zorgt ervoor dat er amper tot zelfs geen plantenleven is onder de kruinen en op de bodem. Andere planten lossen dit op door in de bomen te gaan leven of zich te gaan gedragen als klimmende planten zoals lianen, epifyten en wurgplanten.
Vaak spreekt men over een ondoordringbare jungle. Vaak zijn dit stukken van een tropisch regenwoud waar het licht wel de bodem raakt. Langs woudranden, wegen en paden.
Hoewel vaak anders gedacht, leeft het tropisch regenwoud op een zeer arme voedingsbodem. Doordat het woud geen rustperiode kent, worden alle organische afvalstoffen zeer snel afgebroken en terug opgenomen.
Door de grote variëteit en rijkelijk aanwezige fauna en flora komen meeste reptielen uit dit biotoop.

- Moeras of drasland:
Een moeras is een overgangsgebied tussen water en land. Vaak worden deze in stand gehouden door dieren (bvb ganzen) of mensen om verlanding te voorkomen.
Een drasland is een gebied waarin zowel water als land snel afwisselt. Vaak zijn dit natuurlijke overstromingsgebieden waar al het water wordt opgeslagen bij regenweer en bij droogte geven ze dit water terug om het natuurlijke evenwicht te bewaren.
De fauna en flora die er stand houdt bestaat vooral uit soorten die zich hebben aangepast aan een leven in en rond water. Riet, drijfplanten, waterlelies, grassen, lage struiken en lage bomen houden het grootste deel van de flora in.
Vooral insecten, amfibieën en watervogels zijn rijkelijk aanwezig. Maar ook vele andere dieren hebben zich aangepast aan dit leven. Zo ook vele reptielensoorten waarvan het grootste deel uit waterschildpadden en krokodilachtigen bestaat.

- Mangrovebossen:
Hoewel een mangrove op zich geen biotoop is, wordt het wel vaak gebruikt om een type biotoop te verwoorden. Een mangrove is in eerste instantie een type plant die zich heeft aangepast aan zoutwatergebieden. Een mangrove als biotoop is een tropisch gebied met een getij, waardoor de grond regelmatig overspoeld wordt met zoutwater. Deze biotopen komen voor bij kustgebieden en rivierdelta’s (waar rivier in zee of oceaan uitmond). Meestal hebben deze gebieden een zeer voedingsrijke bodem.
De flora bestaat vooral uit mangrovestruiken en bomen. Deze hebben zich geheel aangepast aan een leven in brak of zoutwater met een getij. Ze ontwikkelen stelt- en luchtwortels om niet te verdrinken en hun loof groeit hoog genoeg zodat ze niet onderwater komen te staan. Deze struiken en bomen vormen vaak een groot ondoordringbaar biotoop doordat de stelt- en luchtwortels door en dicht op elkaar groeien.
De fauna is er zeer rijk en vaak uitzonderlijk. Dieren moeten er net als de planten uitgerust zijn voor een leven in getijdengebieden. Krabben, slijkspringers, zeevogels, vleerhonden, apen, zeeotters, schelpdieren, garnalen en kreeften. Leven vaak in overvloed in mangrovebossen.
Reptielen worden er vaak vertegenwoordig door leguaan, agame en varaansoorten.

 

Uit deze biotopen komt het gros en de meeste bekende van de reptielensoorten, in gevangenschap aanwezig, oorspronkelijk vandaan. Dit zijn maar beperkte samenvattingen van deze biotopen. Afhankelijk van waar ze voorkomen, kunnen er heel andere minibiotopen voorkomen. Dit is aan jou zelf om uit te zoeken.
Uiteraard zijn er ook nog andere biotopen waar reptielen aanwezig zijn. Loofbossen, duinen, kustgebieden, heides, zeeën en oceanen zijn er enkele van.

 

En dan nu het vivarium kiezen.

Hoewel je veel soorten vivaria hebt, is de keuze vaak al gemaakt aan de hand van de reptielensoort die je gekozen hebt. Een vivarium is vaak al grotendeels biotoop gericht.
Of je al dan niet deze huisvesting zelf maakt, ligt geheel aan jezelf. Je kunt het vivarium zo eenvoudig of zo ingewikkeld maken als je zelf wil. Het prijskaartje is meestal goedkoper als je het bouwwerk zelf in elkaar knutselt, je kan het echter ook op maat laten maken of zelfs volledig ingerichte vivaria aankopen. Zelf ben ik van mening dat het bouwen en inrichten van vivaria een belangrijk en leerrijk deel is van de hobby die je zeker eens moet proberen. Ook zijn vele industriële vivaria niet op maat uitgerust voor jou reptielensoort. Een huisvesting is namelijk meer dan een kubus, balk of zelfs eivormige vorm.

Afhankelijk van de soort heb je verschillende mogelijkheden:

- Aquarium:
Een glazen of houten huisvesting gevuld met water. Sommige reptielen leven namelijk aquatisch (in het water), dit kan in vele gevallen het beste worden nagebootst in aquaria. Denk aan bijvoorbeeld waterschildpadden, krokodillen.
Echter zijn er voor al deze dieren vaak betere oplossingen, daar elk reptiel ooit wel eens aan land komt. Hiervoor kunnen dan plateaus aangebracht worden of met steen of hout land nabootsen.

- Terrarium:
De meest gekende huisvesting voor reptielen. Ideaal voor woestijn, steppe, weide, bos, subtropisch en tropische biotopen in na te bootsen. Terra betekent aarde, wat dan ook een belangrijk punt is. De bodem bestaat uit aarde, zand, steen, etc.
Dit soort vivarium wordt dan ook vaak verder opgedeeld in regenwoudterrarium, steppeterrarium, woestijnterrarium, etc.

- Paludarium:
Een huisvesting bedoelt om een moerasachtig biotoop na te bootsen, palus betekent dan ook moeras.
Het uitzicht van een paludarium komt in verschillende varianten voor. De ene heeft eerder een kleine modderpoel, de andere een beetje water en nog anderen nemen haast de helft van het grondoppervlak in beslag voor water. Meestal worden er tropische omgevingen mee nagebootst met een talrijke plantenbegroeiing, je kan echter ook perfect een steppepaludarium maken waarin je kleine waterbronnen nabootst rondom of in stenen.

- Riparium:
Meestal bedoeld voor de wat grotere waterliefhebbende reptielensoorten in te huisvesten. Ripa betekent oever, dus een oever nabootsing.
Dit soort huisvesting wordt vaak verward met een paludarium, bij een riparium echter ligt de nadruk veel meer op een watergedeelte die soms wel het hele grondoppervlakte in beslag neemt.
In meeste riparia wordt ook gebruik gemaakt van kleine watervallen of waterlopen om zelfs nog meer water te creëren, in de meeste gevallen zijn dit dan ook al aardig grote ruimtes, soms wel hele kassen of serres.
Eén van de voordelen van een riparium is dat er soms meerdere diersoorten bij elkaar kunnen gehouden worden, dit omdat je meerdere biotopen bij elkaar brengt. Reptielen, vissen, amfibieën en schaaldieren kunnen in de mate van het mogelijke samen in één groot riparium, uiteraard ervoor zorgend dat ze niet elkaars voedsel worden.

- Serre of kas:
Alle vorige huisvestingsmogelijkheden kunnen nagebootst worden in een serre of kas. Afhankelijk van de grootte kunnen zelfs meerdere biotopen worden gecreëerd als minibiotopen, bijvoorbeeld terra (aarde), palus (moeras), ripa (oever) en aqua (water) kunnen allen in dezelfde kas voorkomen.
Het hoeft waarschijnlijk niet gezegd te worden dat dit voor veel reptielen de meest ideale omgeving is en voor mensen de mooiste. Uiteraard hangt hier ook een prijskaartje aan vast, hoewel als je een beetje handig bent heel veel kosten kunt uitsparen.
Door de grootte van een serre of kas kan het biotoop vaak zo sterk nagebootst worden dat je een klein ecosysteem creëert. Zo is het perfect mogelijk een huisvesting te ontwerpen waar je na enkele jaren bijna niets tot niets meer aan hoeft te doen. Uiteraard moet je hierbij het perfecte evenwicht vinden. Plantenetende reptielen zijn meestal niet geschikt hierin, daar de planten niet snel genoeg kunnen herstellen. Reptielen die af en toe wat plantaardig voedsel eten kunnen wel, vaak eten ze enkel de vruchten of bloemen. Hou er ook rekening mee dat je geen massa’s carnivoren kan houden zonder dat je zal moeten bijvoeren, de voedseldieren kunnen zichzelf dan niet in stand houden. Het perfecte evenwicht is dus een leerrijk programma die enkele jaren van onderzoek en experimenteren zal vragen.

- Buitenhuisvesting:
Een huisvesting die gebruikt wordt om reptielen en anderen buiten te huisvesten. In vele gevallen kan je dit vergelijken met volières. Voor de meeste dieren kan dit enkel overdag en in de zomer gebruikt worden, in onze contreien hebben we namelijk geen tropische temperaturen het hele jaar door en al zeker niet tijdens de nachten. Ook kleine en snelle reptielen met ontsnappingskunsten kunnen beter vermeden worden.
Waarom zouden we dan buitenterraria gebruiken? Dieren die buiten zitten onder een naakte hemel krijgen natuurlijk UV licht, voor veel reptielen is dit een haastte noodzaak. Hoe goed het echte zonlicht ook wordt nagebootst, het is nooit zogoed als de zon zelf. Daarnaast heeft het ook andere voordelen, het natuurlijk gedrag van de dieren wordt aangewakkerd wat kan vergeleken worden met een gezonde stress.
Ook kunnen de dieren dan geregeld wat wilde insecten vangen, die haast altijd voedzamer zijn dan de gekweekte.

- Curver en faunabox:
Een huisvesting die voor mij niet geschikt is om reptielen in te houden, echter zal ik deze toch bespreken.
Een curver is een plastieken doos die in verschillende groottes te vinden is. Ze zijn half tot niet transparant, wat wil zeggen dat je er niet of amper kan doorkijken. Deze curvers worden dan vaak massaal in rekken geplaatst.
Voor mij zijn curvers dan ook niet meer dan gemakzucht en een manier om zoveel mogelijk dieren te huisvesten. Klein detail is dat je ze wel niet degelijk kan bekijken zonder ze te storen. Ik ga hier dan ook geen gehele discussie over openen, maar zal ze zeker niet aanraden aan medehobbyisten.
Ze kunnen echter wel van pas komen voor bijvoorbeeld nakweek ‘tijdelijk’ in te plaatsen.

 

Een vivarium houdt uiteraard meer in dan de vorm en inrichting. Zoals eerder al aangekaart hebben reptielen algemene en basisbehoeften. Om aan deze te voldoen moet men zich houden aan bepaalde punten.
Vaak zal men in gespecialiseerde winkels bepaalde producten verkopen speciaal voor reptielen. In vele gevallen bestaan deze producten al voor andere toepassingen en altijd veel goedkoper. Je betaalt dus eigenlijk het doosje met een reptielentekening erop. Zoek dus zeker en vast altijd naar alternatieven.
Voor zaken met betrekking tot het klimaat (lichtduur, UV, temperatuur, neerslag, etc.) is het soms beter om klimaattabellen te gaan zoeken van een bepaalde plaats dan zomaar blindelings volgen wat geschreven staat in soortspecifieke boeken of sheets. Deze tabellen zijn gemakkelijk te vinden op het internet. Indien je ze daar niet vindt, kan je altijd nog weerstations contacteren voor deze data.
Enkele basispunten die komen kijken bij de bouw van een goede huisvesting:

- Licht:
Reptielen, of ze nu dag of nachtactief zijn, hebben licht nodig. Een natuurlijke dag en nachtcyclus is heel belangrijk voor de dieren. Het zorgt voor activiteit, slaap, jacht en voor sommigen is licht zelfs een indicatie om de winterrust of winterslaap voor te bereiden.
Hoe boots je dit nu na? Wel om simpel uit te leggen, met lampen. Spots, halogeenlamp, led verlichting, spaarlampen, tl lampen, etc. Ook kan het heel goed helpen om de huisvesting zo te plaatsen dat er natuurlijk daglicht binnenvalt, let hierbij wel op dat je geen direct zonlicht in het vivarium krijgt, je wilt namelijk geen gebraden reptiel. Steeds meer wordt er gebruik gemaakt van lichtreflectie om de lichtintensiteit te verbeteren. Dit gebeurt ondermeer door aluminium aan de bovenkant van het vivarium te bekleden, dit weerkaatst het licht van lampen.
Wat veel vergeten wordt, en toch belangrijk is, is nachtlicht. In het wild heb je tijdens de nacht vaak meer licht dan in eerste instantie gedacht wordt. Denk aan maanlicht. Dit kan nagebootst worden met bijvoorbeeld blauwe lampen van een laag wattage.
Daarnaast is het voor veel (dagactieve) reptielen belangrijk om een UV bron te hebben. Vooral UVB is belangrijk en in mindere mate UVA. De UV zorgt ervoor dat de reptielen via hun huid vitamine D3 kunnen aanmaken, wat gebruikt wordt om ondermeer calcium om te zetten in materialen voor de skeletbouw. Vele reptielensoorten hebben ook nood aan UV voor de jacht of herkenning van soortgenoten, paringsbereidheid, etc. Reptielen kunnen namelijk UV licht waarnemen, iets wat de mens niet kan.
UV komt normalerwijze van de zon en komt in beperkte hoeveelheden door de atmosfeer. UV komt niet door glas en maar in zeer beperkte mate door plexiglas, daarom is het noodzakelijk voor je reptiel om voor een alternatief te zorgen. Dit alternatief zijn UV lampen en komen in allerhande vormen voor. Afhankelijk van de hoeveelheid UV jouw dier nodig heeft moet je een beslissing maken. Zorg dat je zeker en vast de correcte lamp kiest, het kan namelijk levensnoodzakelijk zijn voor de gezondheid van jouw reptiel. Reptielen met een uiterst hoge nood aan UV moeten vaak zelfs met de beste UV lampen nog vitamine D3 toegevoegd krijgen. Let wel op voor overdosering. 
Zonder reclame te maken voor bepaalde merken van lampen kan ik wel meegeven dat lampen onder de €25.00 haast nooit geschikt zijn voor reptielen met nood aan UV. Zo zijn er veel waardeloze lampen op de markt die als UV lamp worden verkocht, maar amper tot geen UV afgeven.
Elk jaar of halfjaar moeten de lampen vervangen worden omdat ze dan geen UV afgifte meer hebben.

- Temperatuur:
Een reptiel is koudbloedig en is voor zijn lichaamswarmte afhankelijk van zijn omgeving. Jij moet er dus voor zorgen dat je voor de ideale temperatuur zorgt. Dit wordt meestal verwezenlijkt via lampen, warmtematten, warmtekabels en in grotere ruimtes kachels. Zorg dat de dieren niet rechtstreeks aan deze warmtebronnen kunnen, ook reptielen kunnen namelijk brandwonden oplopen.
Meestal heb je hierin 4 onderverdelingen binnen een vivarium.
Baskingspot/hotspot: Is altijd de warmste plek, onder de warmste lamp(en), in het vivarium en zorgt ervoor dat de reptielen voldoende en snel kunnen opwarmen. Belangrijk voor de algemene gezondheid, activiteit en darmflora. Hoe kan je weten welke temperatuur dit moet zijn voor jouw dier? Kijk naar het natuurlijke biotoop van jouw reptiel, de temperatuur die gemeten wordt in de directe zon rond de middag is hiervoor meestal de ideale temperatuur. In rotsbiotopen of plekken met veel steen moet er vaak gekeken worden naar de temperatuur van de rotsen en stenen die in de volle zon liggen.
Algemene omgeving: De gemiddelde temperatuur die gemeten wordt op verschillende plekken in de huisvesting. In de natuur vaak gemeten in de schaduw of halfschaduw afhankelijk van het biotoop. Algemeen de plek waar de reptielen het meeste rondlopen.
Schaduw/koel zone: Plek waar de koelste of koudste temperatuur wordt waargenomen. Vaak op een schaduwrijke plek, in grotten, holen of gangen. In de natuur, afhankelijk van het biotoop, wordt deze temperatuur ook op die plaatsen gemeten.
Nacht: Temperatuur die er tijdens de nacht wordt waargenomen. Dit is veel verschillend, voor vele soorten geldt een algemene daling van 5° Celsius. Kijk dit toch even na voor jou soort.
Als je deze vier in acht houdt sta je al ver. Sommige soorten hebben ook nog nood aan een forse daling in temperatuur in de wintermaanden en gaan dan afhankelijk van de temperaturen in winterslaap of winterrust. Vele soorten kunnen ook het hele jaar door op dezelfde temperatuur gehouden worden.

- Luchtvochtigheid:
Afhankelijk van hun afkomst, hebben alle reptielen een nood aan een bepaalde luchtvochtigheid of relatieve vochtigheid (RV). De correcte RV is noodzakelijk voor een gezond reptiel. Huid, vervelling, darmflora, nierfunctie zijn maar enkele van de zaken waar de RV een groot effect op heeft.
Er worden in de hobby zeer veel fouten gemaakt met luchtvochtigheid. Vooral bij woestijn, steppe en heidedieren. Mensen gaan er snel vanuit dat woestijn en steppe een droge lucht aanvoert. Dit deel is wel waar, maar veel reptielen leven er deels in holen, gangen en kleine grotten die vaak een pak vochtiger zijn dan het oppervlak. Ook zijn veel van deze gebieden tweeseizoensgebieden. Waar je een droog en nat seizoen krijgt, dit heeft veel invloed op het biotoop. Een goed voorbeeld hiervan is de baardagame die leeft op de Australische steppen en half woestijnen. Een relatief groot deel van het jaar zijn in deze gebieden kleine rivieren, beken en poelen te vinden. Deze geven niet enkel een hogere RV, maar ook een plek waar dieren gaan drinken en zelfs baden. Velen binnen de hobby houden hier helemaal geen rekening mee en zetten hun baardjes te droog het hele seizoen door.
Goede manieren om de RV op peil te houden zijn, handmatig sproeien, sproeisystemen, regensystemen, mistsystemen en zelfs waterbakjes waar het water deels van verdampt. Ook het type bodembedekking en beplanting kan een grote invloed hebben op de RV.

- Ventilatie:
Dieren hebben net als mensen nood aan zuurstof, in een geheel afgesloten bak zouden je dieren eigenlijk na een tijd kunnen stikken of aan zuurstofarmoede gaan leiden. Zorg dus voor een constante toevoer van nieuwe lucht via ventilatieopeningen. Een basismethode is gebruik te maken van één ventilatie bovenaan en één onderaan, zo krijg je een goede luchtstroom.
De luchtstroom is ook belangrijk om de groei van schimmels en bacteriën tegen te gaan in de bak. Plekken waar de lucht goed ververst wordt komen namelijk veel minder schadelijke schimmels en bacteriën tot hun recht.

- Openingen:
Op een bepaald punt moet je uiteraard wel eens in de huisvesting kunnen. Hiervoor heb je een opening nodig. Er zijn massa’s goede manieren waarop je dit kan verwezenlijken. Meest gebruikte zijn de schuiframen. Ook klapdeuren of ramen worden wel eens gebruikt, vaak voor giftige dieren ter bescherming van de handen.
Eén methode die best vermeden wordt is een opening langs boven te maken, of tenminste niet als enige methode mag gebruikt worden. Reptielen, en ook andere dieren, kunnen dit als bedreiging zien en je hand aanzien als een roofvogel. Dit geeft je dier onnodige stress en gaat gepaard met mindere gezondheid en algemeen minder plezier aan je dier.

 

Na deze basispunten, die zeker aan bod moeten komen, heb je uiteraard nog andere zaken. Keuze bodemmateriaal, inrichting, stammen, takken, twijgen, rotsen, stenen, beplanting (echt of nep), achter en zijwanden en schuilplaatsen komen ook zeer zeker aan bod. Omdat er hierin zoveel keuze is en dit voor alle dieren anders kan zijn, ga ik hier maar zeer beperkt op in.
En ook hier is de reptielenhandel een grote factor van een ‘te’ dure hobby. Zoek dus zeer zeker naar alternatieven. Vaak vind je exact hetzelfde in tuinhandel of in doe het zelf zaak voor een spotprijs.

- Bodemmateriaal:
Loop niet direct naar een gespecialiseerde dierenwinkel om een hoop zakken bodemmateriaal te gaan halen. Dit is prijzig en kan meestal onder ander merk gevonden worden in een tuincentra.
Combineer materialen, meng bijvoorbeeld zand met leem/klei om beter graafbaar te maken.
Pas op met potgrond, zorg dat er geen pesticiden aan toegevoegd zijn, deze zijn schadelijk voor je dieren.
Ga geen houtsnippers leggen bij woestijnbewoners als voorbeeld. Probeer steeds zogoed mogelijk het natuurlijke biotoop na te bootsen.

- Inrichting:
Het is niet alleen wat er in je vivarium komt, maar ook hoe je het plaatst. Een hoge glazen vivarium voor een boombewoner met geen enkele optie om naar boven te klimmen is even effectief als een lage.
Richt de huisvesting druk genoeg in. Zo creëer je een groter oppervlak voor je dier. Ga niet enkel achteraan in het vivarium gaan inrichten. Indien je ook het midden en voorkant wat drukker inricht krijg je vaak een mooier dieptezicht.
Te druk echter is ook niet altijd het beste idee. De bedoeling is het oppervlak te vergroten. Als je heel het vivarium volpropt is er geen plek meer voor het dier zelf.

- Stammen, takken, twijgen, wortels: Afhankelijk van de grote van je reptiel en zijn huisvesting maak je gebruik van stammen, takken, twijgen, wortels of een combinatie ervan. Ze geven een directe meerwaarde, ogen natuurlijk, geven steun aan planten en zorgen voor een vergroting van de ruimte.
Ga het hout zo plaatsen dat de dieren zowel horizontaal, verticaal, als diagonaal kunnen zitten. Zorg er ook voor dat de dieren er goed kunnen op klimmen, gladde takken kunnen vele dieren niet op klimmen. Dunne twijgen kunnen ook gebruikt worden in vivaria voor grote dieren, ze zullen er niet rechtstreeks op klimmen, maar andere planten kunnen ze als steun gebruiken. Vooral voor boombewonende soorten van toepassing.
Pas op met hout zomaar uit de natuur te gaan halen, het hout die al op de bodem ligt is meestal al begonnen te rotten en ontbinden. Ook brengen ze schimmels en bacteriën mee. Hout die je vers van de bomen haalt kan schade geven aan de boom en zomaar snoeien in bossen, parken of perken is meestal niet toegelaten. Hout die je snoeit uit de tuin kan wel geschikt zijn. Laat het hout wel altijd goed drogen vooraleer te gebruiken.

- Steen en rots:
Deze kunnen een goede meerwaarde geven aan je vivarium. Vooral voor rotsbewonende reptielen.
Kunnen gebruikt worden om schuilplaatsen en grotten mee te bouwen. Zorg wel dat alles stevig gebouwd is. Niemand wil dieren bedolven zien onder een hoop stenen. Dit kan je verhelpen door alles aan elkaar te kitten (lijm/siliconen) of te cementeren.

- Beplanting:
Niets mooiers als een tropisch vivarium vol groeiende en bloeiende planten. Maar ook in steppe en zelfs woestijnen groeien planten. Ze brengen ook voordelen mee. Helpen de luchtvochtigheid in stand te houden, ruimen het materiaal op door te gebruiken als voedingsstoffen, zorgen voor schuilplaatsen en kunnen zelfs de huisvesting lekker doen ruiken of parasieten en andere schadelijke aandoeningen voorkomen.
Het is echter niet eenvoudig om de juiste planten te vinden om in vivaria te houden. Niet zozeer om de houdbaarheid, eerder om de dieren die erbij zitten. Deze houden namelijk geen rekening met de planten en zeker de grotere soorten kunnen ze vrij snel vernielen.
Voor wie geen groene vingers heeft en niet weet welke planten mogelijk zijn, zijn er altijd nepplanten ter beschikking die het vivarium kunnen verfraaien.

- Achter en zijwanden:
Niets is leuker dan je eigen achterwand te maken. Het geeft ook nog eens klimmogelijkheden, schuilplaatsen, zorgt voor grotere oppervlakte door middel van plateaus en het oogt nog eens fraai. Ook kurk of turfplaten kunnen gebruikt worden. Uit varenwortelplaten groeien bij voldoende vochtigheid spontaan mossen en varens uit.

 

Eens het vivarium volledig afgewerkt is, laat je het minstens 2 weken (met planten 1 à 2 maand) actief staan vooraleer je er een dier in huisvest. Dit moet gebeuren omdat je in die tijd vaak nog fouten opmerkt en hier en daar nog aanpassingen kunnen gemaakt worden.

 

Hoe groot moet mijn vivarium zijn?

Je weet welk soort vivarium je nodig hebt, hoe je het zal inrichten, je hebt zelfs al een ontwerp gemaakt. Maar hoe groot moet die nu zijn?
Overal waar je zal kijken en lezen over vivariummaten zal er sprake zijn van minimummaten. Daar deze minimummaten vaak gepubliceerd worden door onwetenden of personen die er baat bij hebben deze te vermelden (bvb kleinere vivaria verkopen beter), moet je hier totaal niet naar kijken.
Hoe groter hoe beter. Dit is de gulden regel voor het maken van vivaria. Maar uiteraard zijn er nog wel andere zaken die erbij komen kijken. Alweer moet je jezelf enkele vragen stellen.

- Hoe groot wordt mijn reptiel?
Hoe groter het reptiel, hoe groter de huisvesting moet zijn.
Belieg jezelf hier niet in, je hoort maar al te vaak “Deze soort wordt tot 60 cm groot, maar meestal blijven ze maar 45 cm”. Ga in deze gevallen altijd uit van het maximum gemiddelde, in geval van voorbeeld dus 60 cm. Een maximum gemiddelde is geen uitzondering en komt zeer vaak voor. Ook uitzonderingen komen voor van dieren die boven het maximum gemiddelde pieken, deze zijn echter niet altijd duidelijk te zien bij jonge dieren en kunnen niet voorspeld worden.
Een reptiel meet je best met een meetlint of een touw. Zo maak je minder fouten bij kronkellende reptielen.

- Hoeveel reptielen in één vivarium?
Meerdere reptielen in één vivarium wil ook zeggen dat ze meer ruimte nodig hebben. Reptielen zijn grotendeels solitair (op enkele uitzonderingen na) en hebben dus ruimte nodig om een territorium op te bouwen. Vooral mannelijke reptielen kunnen grote territoria innemen waar geen andere mannen van dezelfde of zelfs andere soort welkom zijn.
Houd geen enkele reptielensoort met meer dan 5 in één vivarium (tenzij grote serres of kassen). Voor vele soorten is 5 dieren zelfs nog teveel.

- Welk type reptiel heb je (bodembewoner, boombewoner, rotsbewoner, etc.)?
Het is voor de hand liggend dat een bodembewoner een groot grondoppervlakte nodig heeft, terwijl boombewoners meer hoogte nodig hebben.
Er zijn ook massa’s reptielen die zowel op de bodem als in de hoogte leven, deze hebben grotere huisvestingen nodig dan anderen.

Een basisbouw vivarium bestaat uit een lengte (l), een diepte of breedte (d) en een hoogte (h). We spreken dan over L x D x H.
De volgende berekening kan als maatstaf genomen worden voor de afmetingen van jouw vivarium. Uiteraard is nog groter, nog beter. Ook kan er gespeeld worden met de lengte en diepte. Voorbeeld een vivarium van 200 cm lengte en 60 cm diepte, kan je het volgende ook maken, 180 cm lengte en 80 cm diepte.

- Lengte:
Hagedissen:
Kleiner dan 40 cm: 3,5 maal de grootte van het dier. Per dier extra moet er 0,5 maal de grootte van het dier worden bij gerekend.
Kleiner of gelijk aan 50 cm:  3 maal de grootte van het dier. Per dier extra moet er 0,5 maal de grootte van het dier worden bij gerekend.
Kleiner of gelijk aan 100 cm: 2,5 maal de grootte van het dier. Per dier extra moet er 0,5 maal de grootte van het dier worden bij gerekend.
Groter dan 100 cm: 2 maal de grootte van het dier. Per dier extra moet er 1 maal de grootte van het dier worden bij gerekend.

Slangen:
Kleiner dan 120 cm: 1 maal de grootte van het dier. Per dier extra moet er 0,5 maal de grootte van het dier worden bij gerekend.
Kleiner of gelijk aan 300 cm: 0,8 maal de grootte van het dier. Per dier extra moet er 0,5 maal de grootte van het dier worden bij gerekend.
Groter dan 300 cm: 0,5 maal de grootte van het dier. Per dier extra moet er 0,25 maal de grootte van het dier worden bij gerekend.

Schildpadden:
Kleiner dan 50 cm: 5 maal de grootte van het dier. Per dier extra moet er 1 maal de grootte van het dier worden bij gerekend.
Groter dan 50 cm: 4.5 maal de grootte van het dier. Per dier extra moet er 1 maal de grootte van het dier worden bij gerekend.

- Diepte/breedte:
En verwaarloosde afmeting. Vaak zie je dat dit veel te weinig is. Een dier moet zich in eerste instantie goed kunnen verplaatsen. Dit houdt in dat in een vivarium het dier moet kunnen draaien.

Hagedissen:
Kleiner dan 50 cm: 50 cm als diepte. Per dier extra moet er 0,25 maal de grootte van het dier worden bij gerekend.
Kleiner of gelijk aan 60cm: 1,2 maal de grootte van het dier. Per dier extra moet er 0,25 maal de grootte van het dier worden bij gerekend.
Groter dan 60 cm: 1 maal de grootte van het dier. Per dier extra moet er 0,25 maal de grootte van het dier worden bij gerekend.

Slangen:
Bij slangen kan men niet dezelfde diepte laten gelden dan bij hagedissen. Het is moeilijk in te schatten op lengte, daar de ene slangensoort pakken breder kan zijn dan de andere. Daarom nemen we de volgende regel in acht.
De diameter van de opgerolde slang 2.5 maal. Per extra slang 0.5 maal de diameter van de opgerolde slang erbij rekenen.

Schildpadden:
Daar schildpadden amper tot geen baat bij hoogte hebben, moet dit goedgemaakt worden door de diepte. Daarom nemen we als regel: lengte huisvesting delen door 2 als diepte. 

- Hoogte:
De moeilijkst te berekenen afmeting. Meestal is dit geheel biotoopgericht, zo heeft een boombewonende slang uit de tropen niet dezelfde hoogte nodig als een hagedis uit een zandwoestijn.
Vaak moeten er ook enkele zaken in de afmeting berekend worden. Zoals hoogte substraat of water. Zaken die niet moeten ingerekend worden zijn kastjes, lampenkap, etc. Deze behoren niet tot de rechtstreekse dierenomgeving.

Bodembewonende hagedissen:
Dieren die vaak op of in de bodem leven. Hoewel vele van deze hagedissen bekend staan als bodembewoners, kunnen ze soms waargenomen worden op rotsen of zelfs eenvoudig bereikbare brede takken tot soms wel enkele meters boven de grond.
In vivaria moet men ervoor zorgen dat deze hoger gelegen plateaus goed bereikbaar zijn. Verticaal omhoog klimmen is uitgesloten, een stijgingshoek van 45° is het maximum.
Vivaria met een lengte kleiner dan 100 cm: 50 cm als hoogte.
Vivaria met een lengte groter dan 100 cm: lengte huisvesting delen door 2 als hoogte.

Boom- of rotsbewonende hagedissen:
Kleiner dan 30 cm: 120 cm als hoogte.
Kleiner dan 50 cm: 150 cm als hoogte.
Groter dan 50 cm: 200 cm als hoogte.

Bodembewonende slangen:
Houdt er rekening mee dat vele van deze slangen in het substraat leven of in holen en onder afgestorven bomen. Zorg dus dat de huisvesting hoog genoeg is om voldoende substraat te leggen.
Vivaria met een lengte kleiner dan 100 cm: 50 cm als hoogte.
Vivaria met een lengte groter dan 100 cm: lengte huisvesting delen door 2 als hoogte.

Boombewonende slangen:
Kleiner dan 100 cm: 120 cm als hoogte.
Groter dan 100 cm: 150 cm als hoogte.

Schildpadden:
Deze dieren hebben geen baat bij hoogte. Het kan zelfs gevaarlijk voor ze zijn.
Hoogte schildpad maal 3 is voldoende als hoogte.

 

Ik wil een jong reptiel, hoe regel ik dit met mijn vivarium?

Jonge opgroeiende reptielen worden vaak in veel kleinere vivaria gehouden. Dit is iets waar serieus mee moet opgepast worden.
Er bestaan veel vooroordelen over jonge reptielen in grote huisvestingen. Meestal zijn deze geheel onterecht. Ook deze vooroordelen worden vaak verspreid door mensen met onkunde of die er baat bij hebben (handel).
De meest besproken van de vooroordelen is dat de dieren hun voedsel niet vinden in grotere vivaria.
Als dit waar zou zijn, zou er geen enkel dier op aarde meer te vinden zijn. Ze vinden hun voeding in de natuur wel, waarom dan niet in een grote huisvesting. Het is gewoon aan de eigenaar van het dier om voor een groot genoeg aanbod te zorgen van voeding.
Voedsel(dieren) in het vivarium verspreiden of laten rondlopen. Let op dat rondlopend voer geen bedreiging wordt voor jouw reptiel.
Voedsel(dieren) in een kom (met gladde wanden) plaatsen.
Zorg dat je soorten neemt die niet kunnen springen of tegen gladde wanden kunnen omhoog kruipen. Bijvoorbeeld wasmotlarven, dola’s, dubia’s, pissebedden, etc.
Veranker de kom goed zodat de reptielen het niet omver kunnen gooien.
Voer de dieren in kleinere ruimtes. Vooral van toepassing bij slangen die levende knaagdieren gevoerd krijgen. Zo kan indien nodig het voer verwijderd worden indien het reptiel niet wil eten.

Het is dus zo dat jonge dieren evengoed in een groot vivarium kunnen. Kleinere huisvestingen hebben zelfs enkele nadelen.
Jonge reptielen worden vaak te klein gezet. Mensen denken vaak dat jonge dieren niet zoveel plaats nodig hebben dan volwassen dieren. Waarom dit is, heb ik het raden naar.
Een mogelijkheid is dat mensen denken dat reptielen als zoogdieren zijn. En dus afhankelijk zijn van de ouders (of in dit geval mensen) voor voeding(zogen), veiligheid en leer van het leven. De werkelijkheid bij reptielen is dat een jong dier alle kennis en capaciteiten al bij zich draagt om te overleven, het zijn miniatuur volwassenen.
Jonge reptielen groeien, maar de huisvesting niet. De jonge dieren worden klein gehuisvest, maar groot genoeg momenteel. Echter het dier groeit al snel, vaak veel sneller dan gedacht wordt.
Maar dan komt het dat mensen vaak te laat of niet beginnen aan een nieuwe en grotere huisvesting waardoor de reptielen al snel te klein komen te zitten.
Te kleine huisvestingen zorgen voor te weinig lichaamsbeweging. Dit zorgt voor vervetting, botproblemen, spierproblemen en groeiachterstand.

Zorg dus dat je tijdig zorgt voor een huisvesting die voldoet voor jouw reptiel.

 

Waar plaats ik mijn vivarium in huis?

Hoewel dit meestal een persoonlijke keuze is, kan ik hier toch enkele tips geven. Zo zit je later niet met het probleem dat je reptiel een hindernis wordt.

De beste plek om een vivarium te plaatsen is nog steeds de hobbykamer. Een plek waar je al je vivaria samen plaatst, alle benodigdheden erbij en een stoeltje. Kom je dan thuis van een stresserende dag op het werk, ga je naar je reptielenkamer en zet je jezelf op je stoel en geniet. Koop een handige draaistoel zodat je 360° rond kan draaien zonder teveel beweging of lawaai.
Houdt er wel rekening mee dat een hobbykamer geen reden is om alles kleiner te gaan plaatsen. Mits je alles goed indeelt en enkele kasten of statieven kan maken met ingebouwde vivaria blijft alles er zeer strak uitzien.
Belangrijk in de hobbykamer is de hygiëne. Niet enkel de huisvestingen moeten verzorgd zijn, ook de kamer moet stofvrij (vermijd dus tapijten en dergelijke) zijn en niet te hard gaan geuren. Infecties, bacteriën, schimmels en zelfs parasieten verspreiden zich snel. Probeer dus zoveel mogelijk kiertjes en kantjes te vermijden. Maak gebruik van gladde ondergrond zoals vinyl en gebruik bij voorkeur afwasbare muren. Installeer indien mogelijk ook een wasbakje met een zeeppompje, je handen kunnen namelijk ook veel ziektes en problemen overdragen.
Zorg ook dat je de kamer kan verluchten, verlichten en zelfs verwarmen. Een gehele kamer verwarmen kan soms besparen in de kosten voor energie, zelfs wanneer bepaalde dieren bij verwarmd moeten worden.
Veiligheid is ook erg belangrijk. Met zoveel elektrische apparaten bij elkaar is er altijd enig risico. Zorg dus dat je een rookalarm plaats, ook een brandblusapparaat is geen overbodige luxe.
Hoewel ik geen voorstander ben van reptielen los in huis, kan het in de hobbykamer soms wel. Maar dan moeten er wel enkele voorzorgsmaatregelen getroffen worden. Denk hiermee niet dat je eender welk reptiel los kan laten in de hobbykamer, ik ben er resoluut tegen om slangen, hagedissen, schildpadden en krokodillen los in de hobbykamer te huisvesten. De enige dieren die je in sommige gevallen los kan laten in de kamer zijn muurgekko’s, zowel dag als nachtactieve zijn mogelijk. Uiteraard moet de temperatuur, luchtvochtigheid, licht (UV voor dagactieve), voeding en water en enkele planten aanwezig zijn. Ook deuren moeten speciaal uitgerust zijn, gekko’s durven wel eens tussen de deuropeningen kruipen met alle gevolgen van dien als je de deur opent of sluit. Ook moeten deze dieren gevoederd worden. Een slangenhouder die geen insecten nodig heeft kan best geen gekko’s loslaten. Iemand die veel insecten gebruikt komt dus beter in aanmerking, ontsnapte insecten alleen zullen echter niet genoeg voeding zijn. Daggekko’s kunnen bijgevoerd worden met fruitpapjes.
Al bij al, raad ik het liever af om dieren los te laten lopen dan dat ik het zal aanraden.

Uiteraard kunnen vivaria ook in andere ruimtes geplaatst worden. Huiskamer, keuken, kantoor, zolder (meer als hobbykamer), etc. Probeer in elk geval volgende zaken te vermijden:
- Een te drukke omgeving.
Spelende kinderen.
Naast de muziekinstallatie of tv.
Plek waar andere huisdieren constant in het zicht lopen.
- Een ongezonde omgeving.
Kamer waar veel gerookt wordt.
Waar chemicaliën gebruikt worden (verf, reinigingsmiddelen, pesticiden, etc)
- Slaapkamer. Hoewel dit zelf te beslissen valt, is een slaapkamer niet altijd de beste plek om je reptielen te plaatsen.
Nachtactieve reptielen kunnen je wakker houden door hun activiteit.
Insectenetende reptielen hun voeding kan en zal in de nacht een mooie serenade voor je geven. Jammer genoeg zijn de decibels vaak zo hoog dat je niet in slaap valt.
Vaak zijn er bepaalde delen aan een vivarium die lawaai maken. Bijvoorbeeld een filter of een waterval/loop.
En wie weet houd je zelf je reptielen niet wakker in de nacht met je eigen nachtelijke activiteiten.

Dit in acht houdend zijn er nog tal van plekken waar je jouw vivarium kan plaatsen.

 

De quarantaine huisvesting.

Het vivarium dat door iedereen vergeten wordt en toch zeer belangrijk is. Ieder hobbyist moet minimum 1 quarantaine huisvesting tot zijn beschikking hebben.

De quarantaine huisvesting is een plaats waar:
Nieuwe dieren worden gehuisvest voor circa een maand vooraleer ze in het definitieve vivarium geplaatst worden. Dit om zeker te zijn dat het dier wel voldoende gezond is en geen ziektes meedraagt.
Zieke of gewonde reptielen kunnen herstellen.
Een noodhuisvesting als er problemen zijn in het huidige vivarium. Bijvoorbeeld vechtende dieren, te hoge concurrentie in territorium, oversekste man die vrouw niet met rust laat, schade aan huidig vivarium.
Onverwachte jongen die gehuisvest kunnen worden. Het komt wel eens voor dat men niet gemerkt heeft dat een vrouwelijk reptiel zwanger was en stiekem eitjes of jongen heeft gelegd. Bij wonder komen deze uit in het vivarium, heb je dus een snelle oplossing nodig om deze jongen in onder te brengen.

Een quarantaine huisvesting is dus in eerste instantie een noodoplossing.
Met betrekking tot zieke dieren houdt men de huisvesting best zo ‘clean’ mogelijk. Dit houdt in dat er geen overbodige zaken in mogen zitten. Plaats geen achterwanden, geen substraat en geen andere natuurlijke producten (takken, planten, steen).
Richt het quarantaine vivarium in met onderaan wat keukenpapier, als schuilplaatsen kan je keuken of wc rollen gebruiken en dozen met daarin een opening waar het dier doorkan. Heb je dieren die van nature in hun substraat leven kan je bijvoorbeeld wat keukenpapier verscheuren en verfrommelen zodat de dieren zich daar in weg kunnen steken.
Alle inhoud van het vivarium moet dus of goed afwasbaar zijn of snel vervangen worden. Elke dag of om de twee dagen vervangen is geen overbodige luxe, probeer dit wel te doen met zo weinig mogelijk stress voor het dier. Bijvoorbeeld als het reptiel in een schuilplaats zit.
Houd er wel rekening mee dat zieke dieren in quarantaine aan al hun basisbehoeften moeten voldoen. Licht (UV), warmte, luchtvochtigheid, luchtcirculatie, water en voeding.

Voor andere quarantaine dieren mag de inrichting drukker en met natuurlijke producten. Zorg hierbij wel dat eens het dier uit quarantaine kan of mag, de quarantaine huisvesting goed kan worden schoongemaakt en ontsmet wordt. Een gouden regel: Eén dier per quarantaine huisvesting. Zo kunnen dieren elkaar niet stressen en besmetten.

 

Zie ook het vervolg: "Deel III: Voeding"