Viva-Cura

Deel III: Voeding

 

Wat eet mijn reptiel?

Naast een zo ideaal mogelijke huisvesting is voeding een tweede noodzaak tot een zo gezond mogelijk reptiel. Zoals al eerder vermeld, zijn reptielen geen gedomesticeerde dieren en hebben dus nood aan natuurlijke voeding.
Welke voeding jouw dier nu juist nodig heeft, ligt geheel aan het soort dier. Je kan alvast 3 grote onderscheiden maken.
- De herbivoor: 
Afgeleid van het Latijn herba= plant; vorus= eter. Dus een planteneter.
Het begrip herbivoor wordt gebruikt voor dieren die planten, of delen van planten zoals bladeren, wortels, zaden, vruchten, bloemen, nectar, schors, hout, of plantensappen consumeren.
Dit houdt in dat als het dier 95% of meer plantaardig voedsel op het menu heeft, het een planteneter is. Indien deze dus meer dan 5% dierlijk voedsel eet, is het geen herbivoor.
- De carnivoor: 
Afgeleid van het Latijn carnis= vlees; vorus= eter. Dus een vleeseter.
Het begrip carnivoor wordt gebruikt voor dieren die dierlijk voedsel eten alsook voor vleesetende planten. Ook aaseters, viseters, eier-eters, bloed eters en insecteneters zijn carnivoren.
Dit houdt in dat als het dier 95% of meer dierlijk voedsel op het menu heeft, het een vleeseter is. Indien deze dus meer dan 5% plantaardig voedsel eet, is het geen carnivoor.
- De omnivoor: 
Afgeleid van het Latijn omnis= elk, ieder; vorus= eter. Dus een alleseter.
Het begrip omnivoor wordt gebruikt voor dieren die zowel plantaardig als dierlijk voer eten.
Dit houdt in dat als een carnivoor minstens 5% plantaardig voedsel eet of een herbivoor die minstens 5% dierlijk voedsel eet een omnivoor is.

Dus afhankelijk van welke categorie jouw dier is, zal je de voeding daarnaar moeten aanpassen.
Voor al die categorieën is het belangrijk een gezond evenwicht aan voedsel voor te schotelen. Denk daarbij aan bijvoorbeeld omnivoren die in het wild veel meer dierlijk eten dan plantaardig of omgekeerd. Ook gaan bepaalde reptielensoorten hun voedingsgewoontes aanpassen aan hun leeftijd of seizoenen. Bepaalde soorten eten tijdens hun onvolwassen leven meer dierlijk voedsel en gaan pas op volwassen leeftijd over op meer plantaardig. Dit moet ook in gevangenschap zogoed mogelijk nagebootst worden.

 

Wat kan ik mijn reptiel allemaal voeren?

Het is zoals al eerder aangegeven afhankelijk van het soort reptiel die je hebt.
Elk reptiel heeft wel minstens één ding gemeenschappelijk. Ze hebben vers voer nodig. Daarmee bedoel ik niet dat voer uit de diepvriezer geen optie is, maar dat reptielen geen kant en klare maaltijden eten. Let op, je zult in gespecialiseerde handelszaken wel kant en klare brokjes of vlokjes vinden voor reptielen, echter zijn deze arm aan voedingsstoffen, er zitten slechte stoffen in en zijn nooit helemaal gericht op één enkele soort. Dit gaat van het ons allen bekende waterschildpaddenvoer tot voer voor bijvoorbeeld groene leguanen. Ook zaken als kattenvoeding is niet geschikt, dit wordt namelijk wel eens aangeraden door derden, zelfs reptielenartsen. Maar waarom daar heeft iedereen het raden naar, het is alvast niet het meest gezonde voer voor reptielen.
Geen enkele van deze maaltijden zijn dus geschikt, in vele gevallen eten de dieren er ook helemaal niet van. Dit is pure commercialisatie in het nadeel van jou reptiel. Geef er dus geen geld aan.
Wat geef je dan wel aan je reptiel. Voeding in zijn puurste vorm. Een blad, een vrucht, een bloem, een krekel, een worm, een muis, etc.
Meestal zal je te lezen krijgen wat de Calcium (Ca) en Fosfor (P) verhoudingen zijn. Deze is zeer belangrijk. Ideaal is dat voor 1,5 aanwezig Calcium er 1 aanwezige Fosfor is, een Ca:P van 1,5:1. Dit is niet aanwezig in alle voeding, daarvoor wordt er vaak extra Calcium aan toegevoegd. Meer hierover later.
Hieronder zal ik een lijst weerleggen van voeding die geschikt is voor jou dier. Hierbij geef ik zoveel mogelijk van mijn kennis met betrekking tot reptielen, echter ben ik niet alwetend dus verder onderzoek is altijd aangeraden.

 

 

Plantaardige voeding:
Hier kan men tal van onderscheiden aankaarten. Daar mijn kennis in de plantaardige voeding beperkt is, is het aangeraden hier verdere tabellen (bijvoorbeeld voedingstabel van groene leguaan) te zoeken met betrekking tot voedingswaarden en stoffen.
Vele planten zijn geschikt, anderen zijn helemaal niet geschikt (giftig) en nog anderen zijn niet geschikt voor veelvuldig gebruik. Ook heb je planten die wel giftig zijn, maar waar dieren in het wild wel van eten, de giftige stoffen breken ze dan af door enzymen, vaak afkomstig van andere planten. Pas dus op met giftige planten te voeren die ze in het wild ook wel eens eten.
Was alle plantendelen goed, ook als ze gewoon uit de tuin komen. Verwijder niet eetbare delen en snij alles in kleinere stukken.
Ga niet één bepaalde soort of enkele soorten voeren, geef je dier zoveel mogelijk variatie, vooral in de zomer wanneer er zeer veel aanbod is.
Meng alles goed onder elkaar zodat ze niet enkel hun favoriete voeding eten. Voer bij voorkeur uit een verankerde schaal of kom die stevig op de ondergrond staat. Zo vermijd je dat de dieren per ongeluk van het substraat gaan eten.
- Groenten:
Meest voor de hand liggend voedsel voor herbivoren. Kan je zelf telen in de moestuin of kopen in de winkel.
Deze moeten altijd gevoerd worden met toegevoegde mineralen supplementen.
Enkele heel gezonde groenten zijn andijvie, boerenkool, chinese kool, paardenbloemblad, paksoi en witloof.
Groenten die je maar sporadisch mag geven zijn rabarber, spinazie, peterselie, postelein, tomaat en wortelen.
Uiteraard zijn er nog vele andere beschikbare groenten. Wat niet goed is voor het ene reptiel, kan wel goed zijn voor het andere. Lees je dus goed in over jouw soort.
- Vruchten:
Een nog voor de hand liggende vorm van plantaardig voedsel. Let hiermee echter goed op. Voor vele herbivoren (bijvoorbeeld landschildpadden) zijn vruchten geen geschikt voer, althans niet bij regelmaat. Echter voor vele carnivoren en omnivoren zijn enkele stukjes fruit of vruchten een aangename toevoeging.
Geef dit soort voer dus enkel met regelmaat en wissel zoveel mogelijk af.
Deze moeten altijd gevoerd worden met toegevoegde mineralen supplementen.
Geschikte en veel gegeten vruchten zijn aardbei, appel, banaan, druif (vooral blauwe), mandarijn, passievrucht, peer en perzik.
Vruchten die best vermeden worden zijn avocado, erwten, kiwi (kan af en toe) en tuinbonen.
- Kiemplanten:
Een niet voor de hand liggende voeding. Deze is echter heel gezond en wordt door vele dieren in het wild gegeten. Mijn kennis in dit onderwerp is zeer beperkt, ik ga ervan uit dat bijvoorbeeld zaden die gebruikt worden voor vogels ook geschikt zijn voor herbivore reptielen.
- (On)kruiden:
In vele gevallen de meest gezonde voeding voor herbivoren. Ze worden enkel vergeten dat ze bestaan en daarbij ook nog eens heel voedzaam zijn.
Pluk deze planten enkel in gebieden waar geen pesticiden (industrieel of landbouw gebied) worden gebruikt of langs drukke autowegen. Ga ook niet hele planten gaan uittrekken, neem enkel wat je nodig hebt en laat het overige van de plant staan. Op deze manier kan je later naar diezelfde plant teruggaan om nog te oogsten.
Enkele bekende soorten zijn weegbree, klaver, melganzevoet, zwarte mosterd, netel, overblijvende ossetong, bermooievaarsbek, haag en akkerwinde, speenkruid, gewoon duizendblad, schijfkamille, margriet, vogelwikke, akkerhoornbloem, peen, canadese fijnstraal, vogelmuur, pastinaak, klein kruiskruid, fluitekruid en nog vele anderen.
Velen vind je zelfs gewoon in de tuin, kattestaart, oost indische kers, druivenblad, braam, hibiscus, viooltjes en nog vele meer.
- Bloemen:
Vele bloemen zijn eetbaar voor dieren. De regel hierbij is meestal, als de plant en/of vrucht eetbaar is, de bloem dat ook.
- Hooi/hooipellets:
Voor onder andere bepaalde landschildpadden die een hoog vezelgehalte nodig hebben, zijn toevoeging van hooi erg belangrijk.
- Nectar:
Hoewel het binnen de hobby niet of amper gebruikt wordt, kan het wel van toepassing zijn voor reptielen. Sommige vooral kleine hagedissensoorten voeden zich af en toe met nectar. Denk hierbij aan Phelsuma soorten.
Meestal worden er alternatieven aangeboden voor nectar in de vorm van papjes. Deze zijn meestal voldoende in de hobby, daar geen enkel in gevangenschap gehouden reptiel zich geheel voedt met nectar.

 

 

Dierlijk voedsel:
Ook hier zijn er tal van onderscheiden te maken. Bij reptielen komen vooral deze vormen voor, vleeseters, aaseters, viseters, eier-eters, en insecteneters.
Het is hierbij zeer belangrijk jouw dier het juiste dieet te geven. Dit wordt het best gedaan door te kijken wat het reptiel eet in de natuur. Zo geef je een woestijndier geen vis. Geef je kleine reptielen geen grote soorten prooi in stukjes gesneden. En zo ga je nog even door.
Geef je reptiel ook niet teveel voeding. Vaak is er in de natuur wel veel voedselaanbod, maar dit is minder rijk aan vetten. Ook bewegen dieren in het wild meer dan in een vivarium. Een reptiel kan je sneller overvoeren dan verhongeren. Let dus goed op hoeveel je voert en wat.
Gebruik geen te groot dierlijk voedsel. De kans op verstikking of schade bij jou dier is dan des te groter. Geef dus liever twee kleinere prooien dan één groot.
Dierlijk voer kan ook worden ingevroren. Zo kan je het voedsel langer behouden zonder dat het zijn voedingswaarde verliest. Steek in geen geval levend voedsel in de vriezer, een vriesdood is zeer pijnlijk en geen enkel dier hoeft dit mee te maken, ook geen die dient ter consumptie. Koop de voedseldieren dus ofwel al in bevroren toestand of geef ze een snelle dood.
Er wordt tal van dierlijk voedsel aangeboden. Deze worden allemaal aangeboden in gespecialiseerde reptielenzaken en steeds vaker zelfs in aquarium of algemene dierenwinkels. Jammer genoeg hoort er bij handel ook winst, wat dan weer leid tot mindere kwaliteit in de reptielenhobby. Door zo laag mogelijke uitgaven en zo groot mogelijke winst bekom je in meeste gevallen voedseldieren van een beperkte tot armzalige kwaliteit. Hiervoor zijn twee mogelijke oplossingen. Gutloaden of zelf kweken van voedseldieren.
Gutloaden is zeer belangrijk bij voedseldieren uit de handel afkomstig. Het houdt in wat het betekent, gut= ingewanden; loaden= vullen. Dus ingewanden vullen.
Afhankelijk van het soort voedseldier voer je het verschillende zaken. Hoe voedzamer hoe beter uiteraard.
Een andere optie is het zelf kweken van voedseldieren. Dan weet je hoe voedzaam de voedseldieren zijn en wat jouw dier binnen krijgt. In vele gevallen is het kweken van voedseldieren niet moeilijk, leerzaam, voordeliger en zelfs leuk.

Hieronder bekende en minder bekende gekweekte voedselsoorten.
Amfibieën:
Dit zijn voor veel reptielensoorten een goede bron van voeding. Waterschildpadden, krokodilachtige, waterminnende hagedissen en slangen. Deze zijn voor de hand liggende voorbeelden. Maar ook tropische reptielen hebben bereik tot amfibieën, denk maar aan boomkikkers in tropische wouden.
Dit wil niet zeggen dat je eender welk amfibie kan of mag voeren. Alle inheemse amfibieën zijn beschermd door de wet en mogen niet gevangen of gehouden worden, dus zeker niet gevoerd. Ook zijn sommige soorten erg toxisch waar je reptiel kan aan sterven, gebruik dus geen enkele amfibie in overmaat, tenzij jouw soort reptiel een amfibie-etend dier is.
Buiten de hier beschreven soorten zijn er nog andere mogelijkheden, aan jou om uit te zoeken welke nog geschikt kunnen zijn.
Lithobates catesbeianus / Brulkikker: 15-23 cm
Deze grote kikkersoort is bekend en berucht. Deze is namelijk in vele landen een ware plaag, ooit uitgezet om gewassen te beschermen van insecten. De brulkikker echter is een echte veelvraat en eet alles wat in zijn bek past, waaronder ook andere amfibieën, vissen, hagedissen en slangen. In het land van herkomst worden deze plagen ingetoomd op natuurlijke wijze, Waterschildpadden, alligators, grote watervogels en grote zoogdieren eten ze.
De kikkerdril, kikkervissen en kleine kikkers kunnen goed gevoerd worden. Volwassen kikkers zullen in meeste gevallen te groot zijn.
Rana pipiens / Luipaardkikker: 13-15 cm
Deze kikker wordt veel gebruikt in biologielessen.
Hier geldt dezelfde voermethode als de brulkikker, echter grote reptielensoorten kunnen ook de volwassen kikker aan.

Geleedpotigen:
Insecten:
Een bekende klasse binnen de reptielenhobby. Vele, al dan niet de meeste, hagedissensoorten in gevangenschap hebben dit voer op hun lijst. Maar ook insectenetende slangen, waterschildpadden en jonge krokodilachtige hebben dit soort voer nodig.
Binnen de hobby wordt er te weinig gevarieerd met insecten. Vaak moet een reptiel in gevangenschap leven op één of twee insectensoorten, meestal niet eens voedzame. Dit is allesbehalve gezond en je dier zal zo ook nooit een maximale levenstermijn hebben. Daarom dat hier niet enkel de bekende insectensoorten worden beschreven, maar ook minder bekende. Vaak zijn zo een aantal soorten te verkrijgen op aanvraag bij de speciaalzaak/leverancier of zijn ze zelf makkelijk te kweken.
Ga niet zomaar elk insect ter beschikking gaan voeren aan je reptiel. Heel veel insectensoorten zijn giftig of toxisch door het eten van bijvoorbeeld giftige planten. Ook heb je soorten waarvan bekend is dat ze kankerverwekkende stoffen bevatten. Anderen zijn niet geschikt omdat ze plaagvormend kunnen zijn in en rond jouw huis.
Bij alle gekochte insecten moet gebruik worden gemaakt van gutloaden en bepoederen met mineraal en vitamine supplementen.
Buiten de hier beschreven soorten zijn er nog andere mogelijkheden, aan jou om uit te zoeken welke nog geschikt kunnen zijn.
Acheta domesticus / Huiskrekel: 20-25 mm
Meest gekende en gebruikte voederdier. Dit maakt het echter niet het beste. Een gewone huiskrekel is niet echt voedzaam, al zeker niet degene in de handel. Het wordt veel gebruikt omdat het goed in de markt ligt en niet duur is.
De huiskrekel kan ook zelf gekweekt worden. Dit is in vele gevallen niet echt succesvol. Allerhande problemen kunnen opduiken in de kweek zoals schimmels en mijt en de kweek kan ook onaangenaam geuren. Ook ontsnappingen zorgen voor problemen. Hoewel de huiskrekel zich maar zeldzaam voortplant in huis, kan hij wel enige tijd overleven met alle lawaaihinder ten gevolge. In sommige gevallen kweekt deze krekel in het vivarium als de omstandigheden goed zijn.
Voer deze insecten dus enkel als afwisseling in plaats van als hoofdvoer.
Gryllus assimilis / Steppekrekel: 25-30 mm
Idem huiskrekel.
Hogere behoefte aan vocht. Hierdoor sterft deze sneller na ontsnapping. Ook tsjirpt deze veel minder.
Gryllus bimaculatus / Tweevlekkige veldkrekel: 25-30 mm
De meest voedzame van de krekels in handel. Dit maakt hem echter nog niet geschikt als hoofdvoer. Hij heeft enkele voordelen maar ook enkele grote nadelen. De voordelen zijn dat ze in huis niet lang overleven, ze zijn trager, springen minder en zijn best makkelijk te kweken.
Het nadeel echter is dat deze krekels heel hard en constant tsjirpen. En bij voedselgebrek agressief kunnen zijn ten opzichte van kleinere of zieke reptielen. Geef je dier dus nooit meer dan hij opkrijgt. In een kom met gladde wanden blijven de krekels ook zitten.
Niet te verwarren met onze inheemse veldkrekel.
Gryllodes sigillatus / Bandkrekel: 15-20 mm
Idem huiskrekel.
Komt maar weinig voor binnen de hobby.
Locusta migratoria / Treksprinkhaan: 50-60 mm
De bekendste sprinkhaan in de handel. Is echter niet de meest voedzame en heeft ook een slechte Ca:P verhouding. Dit wil niet zeggen dat hij niet mag gevoerd worden. Net als bij krekels, met regelmaat en niet als hoofdvoer.
Het voordeel aan deze sprinkhanen is dat ze geschikt zijn voor grotere reptielen. Ook zijn ze niet heel moeilijk voor je dieren om op te jagen, vaak gaan ze gewoon onder de spot gaan zitten tot ze opgegeten worden.
Hoewel ze geluid kunnen maken door hun achterpoten tegen elkaar te wrijven, doen ze dit niet vaak en niet luid. Is dus niets vergeleken met de krekel.
Interessant aan treksprinkhanen is dat ze een solitaire en een gregaire vorm, deze laatst migreert en vormt plagen in tropische landbouwgebieden. In de handel vinden we uitsluitend de gregaire vorm.
Ze zijn gemakkelijk te kweken in grote aantallen. Wegens de hoge nood aan warmte kan dit wel relatief prijzig zijn, dus kweken is enkel nuttig als je genoeg reptielen hebt die ze eten en/of als je ze aan mede hobbyisten kan verkopen. Als voer geef je ze gras of bamboe en droge zemelen, vermijd fruit.
Schistocerca gregaria / Woestijnsprinkhaan: 60-80 mm
Idem treksprinkhaan.
Blaberus craniifer / Doodskopkakkerlak: 50-60 mm
Bij het woord kakkerlak krijgen meeste mensen al rillingen. Deze gedachte is in vele gevallen ongegrond, kakkerlakken zijn heus niet zo vies, akelig en gevaarlijk als vaak wordt aangegeven.
De doodskopkakkerlak is uitermate geschikt als hoofdvoer door hun hogere Calcium waarde en vlezige lichaam, uiteraard moet er naast dit voer ook nog andere insecten gevoerd worden als afwisseling. Doordat deze dieren 6 nimfenfases doorgaan vooraleer ze hun volwassen vorm hebben, zijn ze ook geschikt voor kleinere reptielen, deze kunnen dan de nimfen gevoerd krijgen. Grotere reptielen kunnen de volwassen kakkerlakken eten.
De kweek van deze dieren is zeer gemakkelijk. De kans op ontsnapping is klein doordat de dieren niet kunnen vliegen of op gladde wanden kunnen kruipen. Een plaag zullen ze niet vormen in huis na ontsnappingen, maar de dieren kunnen wel enige tijd overleven, ook in de winter.
Laat ze niet zomaar los in het vivarium, kans dat ze daarin kweken is aanzienlijk. Voer ze uit de hand, pincet of verankerde gladde schaal of kom.
Blaptica dubia / Argentijnse kakkerlak: 40-45 mm
Idem doodskopkakkerlak.
Deze soort wordt aanzien als het ideale voederinsect en mogelijk terecht. Zijn uiterst voedzaam, maken geen lawaai, zijn makkelijk te kweken, geuren niet, zijn niet plaagvormend, hebben ideale afmeting en alle insecteneters zijn er dol op.
Het enige mogelijke nadeel dat ik kan bedenken is dat ze traag volwassen worden ten opzichte van bijvoorbeeld krekels. Waardoor een degelijke kweekgroep nodig is als je ze als voederdier wil gebruiken. Dit nadeel komt wel met een voordeel, de nimfen en volwassenen kunnen allemaal bij elkaar gehuisvest worden.
Panchlora nivea / Groene kakkerlak: 15-24 mm
Een goed voederinsect voor kleinere reptielen die door hun groene kleur aanzien worden voor een lekkere hap.
De kweek ervan is wel anders dan bij de andere kakkerlakken. De bruine nimfen van deze soort leven in vochtig en warm substraat. Ga niet in het substraat graven opzoek naar de nimfen, hiermee beschadig je zowel de eitjes als de nimfen met alle gevolgen van dien. Voer dus enkel de volwassen groene kakkerlakken.
Dit is een vliegende soort. Dit is echter van geen belang bij ontsnapping daar de insecten geen geschikte kweekbodems vinden in huis. In vochtige vivaria kunnen deze kakkerlakken mogelijk wel kweken.
Shelfordella tartara / Redrunner kakkerlak: 20-30 mm
Haal deze soort niet in huis. Hoewel de redrunner een tropische soort is, vormen ze heel snel in huis (en zelfs dat van de buren) een plaag.
Callosobruchus maculatus / Voorraadkever of bonenkever: 2-4 mm
Deze kleine kevers zijn geschikt om te voeren aan kleine insectenetende soorten.
Ze zijn makkelijk te kweken en niet plaagvormend in huis. Buiten deze soort zijn er nog enkele andere bekende bonenkevers.
Pachnoda marginata peregrina / Rozenkever of dola: 20-30 mm
Hoewel de kevers ook kunnen gevoerd worden, gaat het vooral over de tot 6 cm lange larven. Deze zijn uiterst voedzaam en uitermate geschikt voor grotere reptielen. Gebruik ze niet als hoofdvoer, dan zal je reptiel al snel te vet worden.
De dola is makkelijk te kweken. Een goede kweek geurt normalerwijze niet hard. Indien je ze zelf kweekt heb je ook larven voor kleinere reptielen in kleinere maten.
Let op, de larven hebben zeer sterke kaken en kunnen pijnlijk bijten. Voor je reptiel is dit geen probleem, deze weten namelijk goed hoe ze moeten vermijden gebeten te worden. Voor jezelf echter kan het wel een pijnlijke zaak worden.
Buiten voederdieren zijn deze kevers ook leuke exotische huisdieren.
Alphitobius laevigatus / Buffaloworm & buffalokever: 12-15 mm
Dit zijn één van de drie larve soorten die teveel gevoerd worden. Ze zijn vet, laag in voedingswaarde en hebben een heel slechte Ca:P verhouding.
Ontsnapte wormen in het vivarium kunnen je reptiel aanvreten of een ravage maken in de achterwand. Zorg dus dat alle larven steeds opgegeten zijn vooraleer u de lichten uitdoet bijvoorbeeld. Voer ze ook niet aan grote reptielen, deze slikken de wormen in vooraleer te kauwen. Hierdoor is er mogelijke inwendige schade mogelijk.
Mijn advies is deze dieren niet of uitzonderlijk te voeren. Waar het geschikt voer is voor ongewervelde, is het dit niet voor reptielen en amfibieën.
Tenebrio molitor / Meelworm & meeltor: 15-20 mm
Idem buffaloworm.
Daarboven hebben deze wormen een hard, haast onverteerbaar pantser die kan leiden tot verstoppingen bij jou dier. - Zophobas morio / Morioworm & moriokever: 40-50 mm
Idem buffaloworm.
Door hun grootte vormen ze een kleiner gevaar dan de andere twee wormensoorten. Ze kunnen worden gevoerd aan dieren die wat te mager zitten. Verder zou ik ook deze wormen niet voeren.
Agrotis infusa / Bogongvlinder & rups: 45-60 mm
Zowel de vlinder als de rupsen zijn zeer voedzaam voor reptielen. Jammer genoeg zijn ze amper in de handel en haast onmogelijk zelf te gaan kweken.
Bombyx mori / Zijdevlinder & zijderups: 30-50 mm
De bekende zijderups die verantwoordelijk is voor de productie van zijde.
Uiterst voedzame rupsen en vlinders, jammer genoeg zijn ze in de handel levend amper te vinden. Indien je reptielen ook dode voedseldieren eten, zijn gedroogde wormen een redelijk alternatief om regelmatig te voeren.
De dieren zijn moeilijk zelf te kweken. Doordat de echte zijdevlinder al is uitgestorven is deze soort afhankelijk van de mens voor zijn voortbestaan. De huidige vlinder kan echter niet meer vliegen en zelfs de rupsen zijn voor consumptie van zijde anders in uiterlijk.
Chilecomadia moorei / Tebo of boterworm: 15-20 mm
Deze boterwormen zijn rupsen van een Chileense nachtvlindersoort. Ze zijn zeer geschikt voor geregeld te geven aan reptielen voor hun hoge Calcium waarde.
Jammer genoeg zijn ze weinig te vinden in de handel en prijzig. Ze zijn niet zelf te kweken doordat ze rechtstreeks van uit Chili worden ingevoerd. Daar worden ze eerst behandeld zodat ze niet kunnen verpoppen. Dit wordt gedaan doordat ze worden aanzien als een plaagvormende soort.
Galleria mellonella / Grote wasmot & wasmotlarve: 15-20 mm
Eén van de meer bekende voederdieren. Hierbij wordt vaak aangegeven, dat je de wormen enkel mag geven als snoepje aan je reptiel. Zelf ben ik van mening dat je ze heus wat meer mag voeren, echter moet je ze wel eerst goed gutloaden, iets wat bij wasmotlarven te vaak vergeten wordt. Je kan dit doen door bijvoorbeeld wat honing op te lossen in water zodat je een meer stroperige substantie krijgt. In deze substantie laat je dan enkele papieren (zonder inkt en chemische middelen) weken. Het papier haal je eruit, het overtollige stroop haal je eraf en het papier kan gevoerd worden aan je wasmotlarven.
De wasmot is makkelijk zelf te kweken. Probeer de kweek zogoed mogelijk af te sluiten, de kleine wasmot (inheemse soort) kan de kweek anders snel infecteren.
Zowel de larve, de pop, als de vlinder kunnen gevoerd worden.
Manduca quinquemaculata / Haviksmot & hoornrups: 50-60 mm
Nog een erg voedzame en aantrekkelijk uitziende rups en nachtvlinder. Ideaal afwisselingvoer voor de grotere reptielen. Ze zijn echter zelden te vinden in de handel.
De rupsen eten van nature tomatenplanten welke giftig zijn. In de handel worden de dieren gehouden op alternatieve voeding zodat ze geen gifstoffen meedragen.
Samia cynthia / Hemelboomvlinder & eri rups: 50-70 mm
Een mooie grote nachtvlinder waarvan de rupsen erg voedzaam zijn, echter met mate gevoerd mogen worden. Net als de meeste rupsen zijn ook deze weinig in de handel te vinden.
Maar deze hebben één voordeel die niet alle andere vlinders hebben. Ze zijn namelijk makkelijk zelf te kweken. De voederplant bestaat uit liguster, een plant die zelfs in onze contreien wintergroen blijft.
Drosophila funebris / Fruitvlieg: 4-5 mm
Fruitvliegen zijn door hun grote vooral ideaal voer voor kleine kikkersoorten, maar ook voor kleine reptielen zijn ze ideaal als afwisselingvoer.
Deze soort kan vliegen. Om ze in het vivarium op één plek te houden kan er bijvoorbeeld een stukje zoet fruit geplaatst worden.
Fruitvliegen zijn relatief makkelijk te kweken.
Drosophila hydei / Fruitvlieg: 4-5 mm
Idem funebris.
Deze soort kan niet vliegen.
Drosophila melanogaster / Fruitvlieg: 3-4 mm
Idem funebris.
Er bestaat binnen deze soort zowel een vliegende als niet vliegende vorm.
Hermetia illucens / Zwarte soldaatvlieg & phoenixworm: 3-19 mm
In Amerika wordt deze larve aanzien als het ideale voedseldier. Ze zijn voedzaam (hoge Calcium waarde) en kunnen als hoofdvoer gebruikt worden, maar afwisseling met andere voedseldieren is nog steeds nodig. Het probleem bij dit soort voedseldieren is dat de voedingswaarde sterk kan verschillen per leverancier. De reden van hun voedzame lichamen ligt namelijk grotendeels in hun voeding.
Houdt deze dieren ver genoeg weg van zoogdieren en zorg dat alles goed is afgesloten. De larven kunnen namelijk zorgen voor myiasis of huidmadenziekte.
Phaenicia sericata / Vleesvlieg: 10-15 mm
Hoewel deze insecten een lage voedingswaarde hebben, zijn ze voor reptielen erg interessant. De vliegen zijn namelijk perfect om het jachtinstinct aan te wakkeren en te verbeteren. In het vivarium kan je de vliegen op één plek houden door bijvoorbeeld een stukje overrijp fruit te plaatsen.
Voer in geen enkel geval de maden. Ze zijn niet voedzaam, bevatten schadelijke stoffen en overleven vaak kauwen van reptielen waardoor ze ernstige inwendige schade kunnen aanrichten.
Protophormia terraennovae / Bromvlieg: 15-20 mm
Idem vleesvlieg.
Musca domestica / Huisvlieg & krulvlieg: 6-10 mm
Idem vleesvlieg.
De krulvlieg is een gekweekte vorm die niet kan vliegen.
Carausius morosus / Indische wandelende tak (PSG1): 80-100 mm
De meest bekende wandelende tak. Hoewel mogelijk veel dieren ze niet zullen eten, zijn ze best voedzaam.
Ze zijn heel makkelijk te kweken. Let hierbij wel goed op dat de voederplanten niet giftig zijn.
Formicidae / Mieren:
Deze insecten worden amper tot nooit gebruikt binnen de hobby. Dit ligt niet aan de voedzaamheid van de mieren, maar aan de moeilijkheidsgraad. Mieren zijn voedzame insecten die in verschillende groottes voorkomen. Het grote probleem is dat ze in kolonies leven en vaak afhankelijk zijn van bepaalde schimmels en planten.
Er bestaan echter reptielen die geheel afhankelijk zijn van mieren om te overleven. Ze gebruiken namelijk het zuur van het insect bij de vertering.
Mieren zijn niet makkelijk of evident om zelf te kweken. Maar wie het toch probeert heeft er vaak een kolonie hobbydieren bij.
Isoptera / Termieten:
Idem mieren.
Kunnen bij ontsnapping zware schade aanrichten aan gebouwen.

Kreeftachtigen:
Hoewel deze klasse niet bekend is bij het grote publiek, zitten hier enkele zeer voedzame soorten tussen. De kreeftachtigen hebben allemaal één ding gemeen, ze bevatten een hoge Calciumwaarde. Iets wat voor vele reptielen een belangrijk element is.
Bij deze soort is het belangrijk om je te houden aan de regel wat je reptiel in het wild niet eet, moet hij ook niet in gevangenschap eten. Voer daarom een woestijndier bijvoorbeeld geen kreeftachtigen.
Waterschildpadden, jonge krokodilachtige, waterminnende hagedissen zijn de meest voorkomende reptielen waarbij kreeftachtigen kunnen gevoerd worden.
Bij kreeftachtigen denkt men vooral aan kreeften, krabben, garnalen, pissebedden, watervlooien, karperluizen, eendenmosselen, etc. Uiteraard zijn deze niet allemaal geschikt voor het voeren aan reptielen. Vermijdt kreeftachtigen afkomstig uit zoutwater, te hoge zoutgehaltes zijn voor meeste reptielen niet gezond. Dieren uit brakwater zijn meer geschikt, maar het beste zijn zoetwaterdieren te gebruiken.
Afhankelijk van de afhankelijk van water van de kreeftachtige kan je ze aan je reptielen voeren in een schaaltje met een klein laagje of geen water. Of indien ze dit uit zichzelf doen, ze zelf laten jagen.
Buiten de hier beschreven soorten zijn er nog andere mogelijkheden, aan jou om uit te zoeken welke nog geschikt kunnen zijn.
Neocaridina heteropoda / Vuurgarnaal: 15-30mm
De vuurgarnaal is niet enkel een steeds populairder aquariumdier, maar ook een goede voedingsbron. Vooral voor jonge reptielen zijn deze kleine garnalen geschikt als voer.
Het zijn zoetwatergarnalen (kunnen ook op brakwater) die makkelijk en zeer productief te kweken zijn in een visloos aquarium.
Palaemon elegans / Steurgarnaal: 90-100 mm
De steurgarnaal is van nature een zoutwaterbewoner. Hij wordt echter ook gevonden in brak en zelfs zoet water, wat het ideaal maakt voor reptielen. Door zijn grote kan hij gevoerd worden aan de grotere reptielen.
Van het kweken van de steurgarnaal in de hobby is maar weinig bekend. Het kan echter niet zo moeilijk zijn.
Procambarus clarkii / Rode rivierkreeft: 80-120 mm
De rode rivierkreeft staat wel eens op het menu van de mens. Er zijn echter nog andere dieren die deze kreeften zeer lekker vinden, waaronder reptielen. Deze dieren hebben een harder pantser als bijvoorbeeld garnalen, houdt hier rekening mee dat jou reptiel dit pantser kan breken met zijn bek. De wat jongere en kleinere kreeften zullen hierdoor meer geschikt zijn.
Het kweken van deze kreeften is zeer eenvoudig in aquaria. Ze zijn namelijk mede verantwoordelijk voor het uitroeien van onze eigen inheemse zoetwaterkreeften. Zo worden ze wel eens verkocht om in vijvers te houden, houdt er wel rekening mee dat deze kreeften ook uit het water kruipen.
Indien de kreeften te groot zijn geworden voor je reptiel, kan je ze nog altijd zelf opeten.
Porcellio scaber / Gewone pissebed: 10-15 mm
Hoewel velen zullen denken dat dit diertje een insect is, is het weldegelijk een kreeftachtige. De meeste pissebedden leven dan ook in zee, maar enkelen zijn geëvolueerd op land en zelf daar hebben ze grote nood aan vocht.
De pissebedden zijn zoals meeste kreeftachtigen voedzaam en bevatten een hoge dosis Calcium.
Door hun kleinere formaat zijn ze ideaal voor jonge en kleinere reptielen. Deze kunnen gebruikt worden als hoofdvoedsel, uiteraard met nog de nodige variëteit in voedsel.
De gewone pissebed is makkelijk te kweken (24/7 donkere omgeving geeft dubbele kweekresultaten) of kan gewoon buiten verzameld worden onder stenen en dood hout. Je kan de dieren ook gewoon uitzetten in het vivarium indien deze vochtig genoeg is, daar zullen ze kweken, afval opruimen, schimmels tegengaan en dienen als voedsel voor je reptiel.
Trichorhina tomentosa / Tropische witte pissebed: 6-8 mm
Idem gewone pissebed.
Hebben meer nood aan warmte en vochtigheid.

Reptielen:
Iedereen kent reptielen, maar wie kent reptielen als voedsel.
Het grootste probleem bij het voeren van reptielen ligt bij de hobbyist zelf. Velen onder ons vinden het barbaars en respectloos. Maar is dit wel zo?
In de natuur zijn vele reptielen namelijk reptieleneters, waaronder ook kannibalisme voorkomt. Er zijn zelfs soorten die er geheel afhankelijk van zijn.
Dit wil natuurlijk niet zeggen dat iedereen opeens reptielen moet gaan voeren, maar je kan wel openstaan voor het idee. Het is namelijk een zeer voedzaam alternatief.
Voeren van reptielen kan je ook bekijken als een oplossing. Bedenk je hoeveel er met bepaalde soorten gekweekt wordt, waardoor er een overaanbod veroorzaakt wordt. In plaats van deze reptielen een pijnlijke langzame dood te geven bij impulsieve aankopen of in winkels, kan men de dieren ook een eerbare en natuurlijke dood geven waarin het zijn nut heeft getoond in de cyclus van het leven.
Een andere oplossing voor een probleem zijn misvormde, zwakke en doodgeboren jongen. In plaats van deze hopeloos te proberen redden of in de afvalcontainer te gooien, kan men ze ook voeren aan andere reptielen. Ook zo tonen ze een beter nut in de cyclus van het leven. De ene zijn dood is het andere zijn brood.
Voer geen dode dieren indien de doodsoorzaak niet geweten is. Je weet namelijk nooit waaraan het is gestorven en of het overdraagbaar is.
Hoewel reptielen in meeste gevallen dure voedseldieren zouden zijn, is dit niet het geval als je jezelf beperkt tot je eigen kweekdieren.
Buiten de hier beschreven soorten zijn er nog andere mogelijkheden, aan jou om uit te zoeken welke nog geschikt kunnen zijn.
Eublepharis macularius / Luipaardgekko: 20-25 cm
De luipaardgekko is een bekende en populaire hagedis. Dit zorgt er ook voor dat er veel overaanbod is. Dit kan gecompenseerd worden door ze in sommige gevallen te gebruiken als voer.
Pogona vitticeps / Baardagame: 45-60 cm
Idem luipaardgekko.
Baardagamen zijn gekende kannibalen en zullen niet aarzelen hun eigen jongen te eten.
Pantherophis guttatus / Korenslang: 120-160 cm
De korenslang is een bekende en populaire slang. Dit zorgt er ook voor dat er veel overaanbod is. Dit kan gecompenseerd worden door ze in sommige gevallen te gebruiken als voer.
Denk bijvoorbeeld aan het geslacht Lampropeltis (koningsslangen) die in het wild ook andere slangen en soortgenoten eten.

Vissen:
Voederdieren voor de waterminnende reptielen. Krokodilachtigen, waterschildpadden, waterminnende hagedissen en slangen kunnen allemaal vis op hun dieet krijgen.
Hoewel vissen niet aan alle reptielen kunnen gevoerd worden, hebben ze enkele belangrijke eigenschappen. Zo zijn ze algemeen makkelijk verteerbaar en bevatten ze visvetzuren. Visvetzuren zijn onder andere belangrijk voor een goede bescherming tegen hart- en vaatziekten.
Vermijdt vissen afkomstig uit zoutwater, te hoge zoutgehaltes zijn voor meeste reptielen niet gezond. Dieren uit brakwater zijn meer geschikt, maar het beste zijn zoetwatervissen te gebruiken.
Ook vissen met een hoog gehalte aan thiaminase moeten vermeden worden. Deze stof breekt namelijk vitamine B1 af. Een tekort veroorzaakt zenuwstoornissen en is onbehandeld dodelijk. Oplossingen zijn de vis minstens 5 minuten te koken in water van 80° Celsius of meer of extra vitamine B1 toe te voegen aan de voeding. Kijk dus altijd eerst na of jouw voedervis deze stof bevat.
Je kan ze aan je reptielen voeren in een schaaltje met een klein laagje water. Of indien ze dit uit zichzelf doen, ze zelf laten jagen. Ook is het mogelijk stukjes vis te geven. Bijvoorbeeld van grotere vissen.
Buiten de hier beschreven soorten zijn er nog andere mogelijkheden, aan jou om uit te zoeken welke nog geschikt kunnen zijn.
Carassius auratus auratus / Goudvis: 20-40 cm
De bekende vis in de kom. De goudvis is een populaire vijver en aquariumvis. Door het grote aanbod hiervan zijn goudvissen relatief goedkoop te verkrijgen. Ook zijn ze makkelijk zelf te kweken in vijvers. Echter zijn ze niet geschikt als voedsel, daar de goudvis de drager kan zijn van een TBC virus. Een overdraagbare ziekte op reptielen. 
Poecilia reticulata / Guppy: 2-4 cm
De guppy is een populaire kleine warmwatervis. Dit maakt hem ideaal om te voeren aan kleinere soorten of jonge reptielen.
De kweek van een guppy is heel makkelijk daar ze levendbarend zijn.
Rutilus rutilus / Blankvoorn: 25-30 cm
De blankvoorn is een slanke snelle vis. Dit maakt dat hij meer geschikt is om dood te voeren.
Er bestaan hiervan al kweekvarianten die gelig tot oranje gekleurd zijn.
Verder kunnen ze zich relatief makkelijk voortplanten in vijvers.
Tilapia spp: 20-40 cm
De Tilapia is een cichlide soort. Hoewel hij bij velen niet direct bekend is, kan hij zelfs worden aangetroffen bij de vishandelaar.
Ze kunnen zelf gekweekt worden, maar dan heeft men wel een groot aquarium nodig.
Xiphophorus hellerii / Zwaarddrager: 5-7 cm
Idem guppy.

Vogels:
In de vorm van eendagskuikens zijn vogels wel bekend bij de hobbyist. Er zijn echter meer geschikte vogelsoorten op de markt die kunnen dienen als voedsel voor jouw reptiel.
Hoewel vogels binnen de hobby niet vaak gebruikt worden als voedsel, eten in het wild vele soorten reptielen wel eens een vogeltje. Het wellicht meest voorkomende in de natuur is het leegroven van vogelnesten waarbij zowel eieren als jongen worden gegeten. Maar kundige jagers kunnen ook eens een volgroeide vogelsoort opeten. Bijvoorbeeld een vogeltje dat ongelukkig vlak naast een gecamoufleerde slang land of loopvogels die voorbij de bek van een hagedis lopen. Zo is er een slangensoort die het hele jaar niets eet tot trekkende vogels massaal op hun eiland landen om uit te rusten en zich dan volproppen met vogels.
Bij vogels voeren zit men vaak met hetzelfde dilemma als bij reptielen voeren. Hoe kan je zo een schattig vogeltje voeren. Dan kan ik ook zeggen, hoe kan je jouw reptiel zijn natuurlijke voeding ontzeggen, wat maakt namelijk de levenswaarde van een hond meer dan dat van een krekel bijvoorbeeld.
Echter is het zo dat ik van mening ben dat je volwassen vogels niet moet gaan voeren of tenminste niet opzettelijk. In grote ruimtes, bijvoorbeeld een serre, kan je vogelnestjes plaatsen waar de reptielen er niet bij kunnen. Als de vogels dan ongelukkig landen is het de natuur die beslist heeft. De kans dat alle vogels zo opgegeten worden is klein, er kan een natuurlijke balans gaan ontstaan op deze manier.
Verder kunnen ook de eieren gegeten worden door vele reptielensoorten.
Buiten de hier beschreven soorten zijn er nog andere mogelijkheden, aan jou om uit te zoeken welke nog geschikt kunnen zijn.
Cotumix chinensis / Chinese dwergkwartel: 11-13 cm
De Chinese dwergkwartel is een uiterst actieve hoenderachtige. Zijn grote en gebrek aan vliegkunsten maakt hem een goede aanvulling op de normale voeding van reptielen.
De dwergkwartel is echter niet altijd even evident te kweken. De hennetjes hebben na vele generaties van gevangenschap en broedmachines geen tot weinig moederinstinct meer.
Cotumix japonica / Japanse kwartel: 17-20 cm
Idem Chinese dwergkwartel.
Gallus gallus domesticus / Kip:
Hoewel een volwassen kip voor de meeste in gevangenschap gehouden reptielen te groot is, kan wel het vlees, ei en kuikens gevoederd worden.
Voer eendagskuikens niet teveel. Ze zorgen namelijk voor diarree en hard geurende ontlasting. Ze kunnen wel eens gevoerd worden om de darmen eens goed te legen.
Melopsittacus undulatus / Grasparkiet: 18-24 cm
De grasparkiet is een bekende in gevangenschap levende vogel.
Hij kweekt makkelijk en relatief veel.
Taeniopygia guttata / Zebravink: 10-13 cm
Idem grasparkiet.

Zoogdieren:
Dat men geen runderen op het menu gaat zetten voor reptielen lijkt me logisch, althans niet een heel rund. Maar kleinere zoogdieren zoals knaagdieren zijn wel geschikt voer.
Slangen, schildpadden, hagedissen, krokodilachtigen, bij allen zijn er soorten die zoogdieren op het menu hebben. Vooral slangen zijn gekend als knaagdier etende reptielen.
Het voordeel van zoogdieren is dat ze een algemeen goede voedingsbron zijn waar geen toegevoegde mineralen of vitaminen moeten gebruikt worden. Echter is het zo dat bij vele reptielensoorten er teveel knaagdieren gevoerd worden wat vervetting met zich meebrengt. Dit geldt niet voor reptielen die in het wild knaagdieren als hoofdvoer hebben, maar wel voor reptielen die maar af en toe of zelden eens een knaagdier te pakken krijgen. Deze laatste mogen maar met regelmaat knaagdieren gevoerd worden.
Voor aaseters ga je ook best je voeding zoeken onder de zoogdieren. Hierbij kan je haast hetzelfde vlees voeren als je zelf eet, maar dan wel rauw en onbehandeld.
Let bij zoogdieren als voedseldieren altijd op de voeding die ze krijgen. In commerciële voeding voor onder andere knaagdieren en konijnen zitten vaak antibiotica in. Hoewel dit op korte termijn of in één generatie geen directe schade zal tonen, kan antibiotica wel zorgen voor meer resistente bacteriën op lange termijn. Zorg dus als je zelf je knaagdieren of konijnen kweekt, dat je voeding aankoopt zonder antibiotica.
Buiten de hier beschreven soorten zijn er nog andere mogelijkheden, aan jou om uit te zoeken welke nog geschikt kunnen zijn.
Cavia porcellus / Huiscavia: 25-30 cm
De cavia is door zijn grootte meer geschikt voor de grotere reptielen.
De dieren kweken makkelijk, maar niet echt zo snel als sommige andere knaagdieren.
Cricetinae / Hamster:
Hamsters worden vaak gevoerd aan slangen die geen muizen eten. Zeg maar moeilijke eters. Ze zijn wel duurder doordat ze niet als voederdier worden verkocht.
Meeste hamstersoorten zijn makkelijk te kweken, maar ook hier is de opbrengst niet zo groot als bij andere knaagdieren.
Mastomys natalensis / Veeltepelmuis: 22-31 cm
De veeltepelmuis is een erg handige muissoort voor bijvoorbeeld slangenhouders. Ze hebben namelijk 24 tepels en produceren grotere nesten dan gewone muizen.
In een kweek gaan ze niet zo hard geuren. Het grote nadeel aan deze soort is dat ze nogal agressief zijn. Echter kan men via meerdere generaties deze muizen tam krijgen.
Meriones unguiculatus / Mongoolse gerbil: 20-24 cm
Idem hamster.
De Mongoolse gerbil heeft hogere kweekopbrengsten.
Mus musculus / Huismuis: 14-20 cm
Het populairste knaagdier dat gebruikt wordt als voedseldier. Zoals bij alle knaagdieren geldt ook hier dat de voedingswaarde bepaald wordt door de waarde van het voedsel dat het voedseldier eet.
Door zijn plaagvormende gedrag is de huismuis gemakkelijk en snel te kweken. Een kweek kan wel snel en hevig geuren.
Oryctolagus cuniculus / Konijn:
Idem huismuis.
Het enige verschil is de grootte en dat een konijn geen knaagdier is.
Rattus norvegicus / Tamme rat: 36-52 cm
Idem huismuis.

Overige:
Achatina spp / Agaatslak: 10-30 cm
Agaatslakken zijn reuzen huisjesslakken die op land leven. Hoewel de grote slakken niet kunnen gevoerd worden, vallen de eieren en kleine slakken erg in de smaak van vele reptielen.
Ze zijn makkelijk te kweken en zijn een extra attractie in je huis.
Pomacea canaliculata / Appelslak: 5-15 cm
Steeds populairder wordende aquariumslak. De slakken zowel als de eieren zijn erg voedzaam voor waterminnende reptielen. Ook andere waterslakken zijn mogelijk.
Collembola / Springstaartje: 2-6 mm
Deze kleine diertjes kunnen gebruikt worden als voedseldiertjes voor jongen van kleine reptielen.
Daarboven hebben ze nog andere interessante eigenschappen. Zo zijn ze schimmeleters en opruimers, wat in een vochtig vivarium erg van pas kan komen.
Dendrobaena veneta / Regenworm of aardworm:
Regenwormen zijn vaak erg in trek bij insectenetende reptielen. Het is echter wijselijk ze niet uit de tuin te halen, maar te kopen bij de hengelsportwinkel of zelf te kweken. De wormen kunnen namelijk allerlei schadelijke stoffen opnemen.
In vochtige vivaria is het aangewezen enkele regenwormen uit te zetten. Deze helpen namelijk het afvalmateriaal op te ruimen zodat planten het kunnen hergebruiken.


Weideplankton:
In de lente, zomer en herfst zijn er tal van insecten en andere dieren in de tuin te vinden. En net als bij onkruid, zijn deze vaak veel voedzamer dan gekweekte insecten.
Weideplankton hoef je niet te bepoederen met mineralen en vitaminen en zijn geheel gratis. Het enige aan kosten die je krijgt is tijd. Maar met een vlindernet eens goed tussen hoge grassen en struiken slaan levert vaak al een ongelooflijk resultaat op. Ook onder stenen of dood hout kijken levert resultaten op.
Uiteraard kan je niet alles voeren. Sommige dieren zijn giftig, smaken slecht, zijn te zeldzaam om te oogsten of vluchten te snel weg.
Dieren als bijvoorbeeld sommige rupsen kunnen giftig zijn. Ook kunnen dieren giftig zijn omdat er met pesticiden besproeid wordt. Indien dit het geval is, mag men in geen geval de insecten vangen.
Sommige insecten smaken gewoon slecht, bijvoorbeeld het lieveheersbeestje of cicaden en enkele andere (meestal gekleurde) kevers. Deze kunnen gevoerd worden, maar of je reptiel ze zal eten is een andere kwestie.
Waarom insecten gaan vangen waar er maar weinig van zijn. Vang daarom geen vlinders of rupsen (behalve het koolwitje), deze komen steeds minder voor doordat mensen geen vlinderbloemen en voederplanten meer gaan aanplanten. Ga deze bedreiging voor de dieren dan ook niet verder uitbreiden. Dit geldt ook voor ondermeer beschermde inheemse insecten als de meikever, neushoornkever, vliegend hert, etc.
En dan heb je nog de ongewervelden die razendsnel wegkruipen, bijvoorbeeld duizendpoten. Indien deze diertjes los raken in het vivarium, kunnen ze onder andere schade aanrichten aan je planten.
Maar zelfs buiten deze soorten zijn er nog tal van andere soorten die kunnen gevoerd worden. Vliegen, libellen, pissebedden, slakken, sprinkhanen, krekels, wantsen, spinnen, mieren, langpootmuggen, bijen, hommels en nog veel meer.
Hoewel sommige van deze soorten aardig kunnen steken of bijten, zijn het geen bedreigingen voor reptielen, deze weten goed hoe ermee overweg te gaan. Ga uit van de regel, als het voedseldier breder is, dan de breedte van de mond van jou reptiel. Voer het dan niet. Je wilt namelijk niet dat de jager de gejaagde wordt.

 

Mineralen en vitamine supplementen.

Zoals al eerder vermeld zijn vele voedingssoorten, zowel planten als dieren, kwalitatief niet goed genoeg om te dienen als voedsel. Hiervoor gebruikt men binnen de hobby mineralen en vitamine supplementen om de waarde van het voedsel te verhogen.
Er zijn verscheidene algemene methodes om deze supplementen toe te dienen aan reptielen.
- Poedervorm:
Supplementen in poedervorm kunnen makkelijk toegevoegd worden aan het voedsel. Het blijft plakken op planten als zowel dieren. Een nadeel is wel dat vele insecten zichzelf snel willen schoonmaken na bepoedert te worden. Niet teveel in één beurt voeren lost dit probleem grotendeels op.
Vele poedervormen kunnen ook opgelost worden in water.
- Vloeibaar of sprayvorm:
Deze methode is gelijkaardig aan de poedervorm. Enkel wordt hier gebruik gemaakt van een vloeibare substantie.
- Directe toediening:
Door middel van een spuit (zonder naald) kunnen supplementen toegediend worden bij reptielen. Dit gebeurt dan onder dwang door de vloeistof in de mond te laten vloeien.
Dit is geen methode die als alledaags kan beschouwd worden. Er moet worden van uit gegaan dat dit enkel bij noodgevallen gebeurd. Bijvoorbeeld een reptiel met een tekort aan vitamine B1 kan dan een toediening krijgen van die bepaalde vitamine.
- Injectie:
Bij dringende gevallen kan er gebruik gemaakt worden van een injectie. Je voert dit niet zelf uit en laat je over aan een ervaren reptielendierenarts.

Wat zit er nu allemaal in die supplementen en wat is het nut ervan? In de mate van het mogelijke en mijn kennis komt er hier een lijst. Buiten deze lijst zijn er ook nog andere mineralen en vitaminen bekend, hier staan echter de voornaamste.
 

 

Mineralen:
Calcium (Ca):
Een mineraal die nodig is bij de bouw en het onderhoud van het skelet, bij de werking van zenuwen en spieren, bij de bloedstolling en bij het transport van stoffen in de lichaamscellen.
Een tekort aan Calcium kan de oorzaak zijn van botontkalking, rachitis en spierkrampen.
Fosfor (P):
Een mineraal dat belangrijk is bij de skeletbouw en het onderhoud, voor het transport en opslaan van energie en speelt een belangrijke rol bij de bouw van DNA en RNA.
Natrium (Na):
Het helpt bij de regeling van vocht in het lichaam en regelt de bloeddruk.
Natrium is verantwoordelijk voor het dorstgevoel.
Een tekort aan Natrium kan leiden tot onder andere uitdroging. Overtollig Natrium wordt uitgescheiden door urine, tranen en niezen.
Kalium (K):
Het speelt een belangrijke rol in het lichaam zoals bij pulsoverdracht in zenuwen, aanmaak van eiwitten en aanmaak van glycogeen.
Een tekort aan Kalium kan leiden tot spierverlamming. Een teveel kan leiden tot overprikkelbaarheid van de spieren waaronder de hartspier, die in extreme gevallen kan leiden tot hartstilstand. Overtollig Kalium wordt via de nieren verzameld en verlaten via urine het lichaam.
Magnesium (Mg):
Het is onmisbaar voor de energieproductie, de werking van spieren en zenuwen en voor het behoud van de stevigheid van botten. Magnesium speelt een belangrijke rol bij de werking van enzymen in het lichaam en is betrokken bij de aanmaak van hormonen.
Een tekort aan dit metaal zijn algemene lusteloosheid of vermoeidheid. Bij een teveel aan magnesium ontstaat lichte diarree. Overtollig Magnesium wordt verzameld door de nieren en verlaat via urine het lichaam.
Jodium (I):
Is nodig voor een goede schildklierwerking en helpt de lichaamsweerstand op te bouwen.
Koper (Cu):
Zorgt voor de stofwisseling en bloedvorming.
Mangaan (Mn):
Is een toxisch essentieel sporenelement. Het zorgt voor de stofwisseling en bloedvorming.
Zink (Zn):
Zorgt voor de enzymenwerking.
Selenium (Se):
Is nodig voor een goede werking van vitamine E.
Ijzer (Fe):
Zorgt voor de bloedkleurstof hemoglobine, is belangrijk bij de stofwisseling en zorgt voor zuurstofactivering en zuurstoftransport.

 

Vitaminen:
Vitamine A1:
Ook wel retinol genoemd. Het is belangrijk bij het opmaken van haarvaten en de gezondheid van cellen. Ook is het een bouwsteen van het lichtgevoelige pigment rodopsine dat voorkomt in het netvlies van de ogen. Daarnaast speelt het een rol bij de groei en de gezondheid van de huid.
Een tekort kan zorgen voor een verminderd gezichtsvermogen tot volledige blindheid, een droge huid, een verminderde afweer en verminderde vruchtbaarheid.
Een teveel kan leiden tot verschijnselen als duizeligheid, gebrek aan eetlust, vermoeidheid en afwijkingen aan ogen, huid en skelet. In hoge dosis kunnen ook misvormingen optreden bij jongen.
Vitamine B1:
Ook wel thiamine genoemd bevindt zich in de zenuwen. Het speelt een belangrijke rol bij het behoud van zenuwen, de hartspier en de zenuwbanen. Het heeft een directe invloed op de werking en de conditie van het geheugen.
Een tekort kan zorgen voor hartritmestoornissen, verminderde reflexen, mentale staat van verwarring, verminderde eetlust, stuiptrekkingen en overgevoeligheid voor geluid.
Een teveel komt niet vaak voor doordat het lichaam een teveel verwijderd via de nier en urine.
Vitamine B2:
Ook wel riboflavine genoemd, speelt voornamelijk bij groeiprocessen een rol. Het ondersteunt de energieproductie door een rol te spelen bij de stofwisseling van vetten, zetmeel en eiwitten. Vitamine B2 is ook nodig voor het vormen van rode bloedcellen, voor de ademhaling, voor de productie van antilichamen en voor het reguleren van groei en voortplanting. De vitamine is noodzakelijk voor een gezonde huid, nagels en een goede gezondheid in het algemeen.
Vitamine B3:
Ook wel nicotinamide genoemd speelt een belangrijke rol bij een goede stofwisseling en het omzetten van eiwitten, vetten en koolhydraten.
Een tekort kan zorgen voor ontstekingen aan de huid, slijmvlies van de mond, tong en darmen.
Vitamine B5:
Ook wel pantotheenzuur genoemd, speelt een cruciale rol in het metabolisme van koolhydraten en vetten. Ook is het betrokken bij de synthese van vetten en cholesterol.
Vitamine B6:
Ook wel pyridoxine genoemd, is belangrijk voor de weerstand en de spijsvertering. Daarnaast speelt het een rol bij de vorming van rode bloedcellen. Vitamine B6 zorgt verder voor een goede werking van het zenuwstelsel.
Vitamine B8:
Ook wel biotine of vitamine H genoemd is nodig bij de vet- en suikerstofwisseling en de productie van vetzuren. Biotine is nodig voor de opname van vitamine C uit de ingewanden. Ook is het belangrijk bij groei en herstelprocessen van de huid, de nagels, de zenuwen en het beenmerg.
Vitamine B11:
Ook wel foliumzuur genoemd, speelt een belangrijke rol bij de vorming van rode bloedcellen en het erfelijk materiaal.
Een tekort kan als gevolg hebben een verminderde eetlust en gewichtsverlies.
Vitamine B12:
Ook wel cobalamine genoemd, voorkomt een bepaalde vorm van bloedarmoede. Daarnaast speelt het een rol bij de vorming van gezonde rode bloedcellen en zorgt het voor een goede werking van het zenuwstelsel.
Vitamine C:
Ook wel ascorbinezuur genoemd. Het is nodig bij de synthese van collageen, de meest voorkomende bouwstof van het lichaam, spiermetabolisme en het immuunsysteem. Ook is het noodzakelijk bij de genezing en herstelling van wonden en ziektes.
Een tekort kan leiden tot pijn in de botten, bloeduitstortingen, bloedarmoede en plotseling overlijden.
Vitamine D:
Waaronder de voornaamste D2 en D3 heeft grote invloed op calciumstofwisseling, immuunsysteem, hart en bloedvaten en voorkomen van bepaalde soorten kankers.
Een tekort kan leiden tot geremde en misvormde groei bij jongen (rachitis), verweking van het bot, spierzwakte en botbreuk.
Een te hoge waarde kan leiden tot verlies van Calcium uit botten.
Het is belangrijk om te weten dat vitamine D op twee manieren in het lichaam kan komen.
De eerste is via voeding, zaken als vette vissoorten en lever bijvoorbeeld bevatten D3. In principe bevat elke diersoort met een skelet in bepaalde hoeveelheid vitamine D3. In bepaalde soorten paddenstoelen zit D2. Bij voeding en dan vooral extra toevoeging van vitamine D is een overdosis mogelijk. Het is dus niet eenvoudig de juiste dosis toe te dienen.
De tweede manier is het zelf aanmaken van vitamine D3. Zelf aanmaken gebeurd door de huid die blootgesteld wordt aan UVB, dit zorgt voor een reactie die vitamine D3 aanmaakt. Hoe hoger de UVB waarde, hoe meer vitamine er kan aangemaakt worden. Via de huid wordt er echter nooit meer D3 aangemaakt dan het lichaam nodig heeft.
Het is dus belangrijk een goede balans te vinden tussen de twee manieren.
Vitamine E:
Ook tocoferol genoemd, speelt een rol bij de aanmaak van rode bloedcellen en het in stand houden van spier- en andere weefsels. Ook is het belangrijk voor de weerstand. Heeft onder andere een functie bij de vruchtbaarheid en de ontwikkelingskracht van nog niet geboren jongen.
Vitamine K:
Is belangrijk voor de bloedstolling, maar ook voor de botstofwisseling.
Een tekort kan leiden tot een vertraagde bloedstolling tot in het ergste geval bloedingen.

 

Hoewel het niet direct nodig lijkt al deze vitaminen en mineralen te kennen, is het vaak handig als er iets mis is met jou reptiel. Een ziekte wordt namelijk niet altijd veroorzaakt door bacteriën, virussen, parasieten of schimmels, maar ook door overdosis of tekorten aan bepaalde stoffen. Door de symptomen van deze overdosissen of tekorten te herkennen kan men sneller ingrijpen.

 

Hoeveel en wanneer voeder ik mijn reptiel?

Hierover bestaat wel eens discussie. Mijn mening hierover is dat het enorm kan verschillen bij verschillende soorten. Het is namelijk sterk afhankelijk van bepaalde factoren.
In het algemeen voederen beginnende hobbyisten hun dieren gewoon teveel. Er treed vervetting op, wat de dieren lui en minder actief maakt en de algemene gezondheid gaat erop achteruit.
Hieronder enkele factoren die de voedselopname van jou reptiel beïnvloeden.
- De activiteit:
Een erg voor de hand liggende factor. Hoe meer je reptiel beweegt, hoe meer verbranding er plaats vindt in het lichaam. Dit brengt direct met zich mee dat heel actieve dieren meer kunnen eten zonder te dik te worden. Er kan direct gedacht worden dat hagedissen zo meer mogen eten dan bijvoorbeeld slangen, in vele gevallen klopt dit niet.
Een actieve reptielensoort die bij jou in het vivarium niet zo actief is, kan een gevolg zijn van teveel voeding en vervetting.
- Hoeveelheid per maal:
De ene reptielensoort eet grotere prooien dan de andere. Denk ondermeer aan vele slangensoorten die één of twee grote prooien eten en dan een week tot enkele maanden verzadigd zijn en dus geen voeding nodig hebben in die tijd. Andere zoals bepaalde hagedissen voeden zich met kleine prooien ten opzichte van hun eigen grootte. Deze kunnen zich vaak hele dagen volproppen.
- Het dieet:
De verbranding en vertering van voedsel wordt ook beïnvloed door het dieet. Herbivoren, carnivoren en omnivoren hebben een verschillende vertering.
- Winterslaap of winterrust:
Tijdens een winterslaap eten reptielen niets, tijdens een winterrust eten de dieren weinig of niks.
Reptielen die van nature één van deze twee doorgaan, moeten deze ook krijgen in gevangenschap. Indien dit niet gebeurd kan dit invloed hebben op de gezondheid en de levenstermijn.

Buiten deze zijn er uiteraard nog andere factoren, zoals de snelheid van het metabolisme, warmte, vocht, etc.
Hieruit moet men dus afleiden dat dit geheel soortgebonden is. Daarbuiten is het voor je reptielen gezond voor om de twee of drie maanden eens een korte eetpauze in te lassen, waarin de dieren een hele week of een week extra gaan vasten.

 

Ga niet telkens op dezelfde dagen en uren voeren. Voer niet elke week dezelfde hoeveelheden. Wissel af in de grootte van planten en voedseldieren. En verzadig de honger van jouw reptiel niet altijd volledig. Op deze manier boots je de omstandigheden uit de natuur het beste na.

 

Zie ook het vervolg: "Deel IV: Kweek"